17e zondag door het jaar C 2016 p

‘Onze Vader (Lc. 11, 1-4; niet: 5-13)            (Viering)

De evangelies vermelden geregeld dat Jezus zich terugtrok om te bidden, meestal zonder verdere toelichting. Vandaag, hoogst uitzon­derlijk dus, vernemen we hoe Jezus bad. En Hij voegt eraan toe dat ook wij op dezelfde manier met God mogen communi­ceren. Het ‘Onze Va­der’ is dus een heel belangrijk gebed. En dus bidden wij dat gebed ook vaak. Maar juist daar­door geraken die woorden soms uitgehold, dreigen ze te verworden ze tot een routineuze, lege formu­le. Dit gebed kan dus af en toe een opfris­beurt best ge­bruiken.
Ik heb dat voor mezelf geprobeerd. En me afgevraagd: waar­over heb ik het  – of beter: waarover zou ik het moeten hebben – telkens ik het ‘Onze Vader’ bid?
(Ik ben niet uitgegaan van de korte Lucasversie die ik daar­net heb voorgelezen, maar van de tekst zoals wij hem allemaal kennen uit het evangelie van Mattheüs).

Onze Vader die in de hemel zijt.
Een God die groter is dan ons verstand, groter dan ons hart. Dat is een God die ons menselijk voorstellingsvermogen ver overstijgt. Maar Jezus zegt: je mag God gerust met ‘Onze Vader’ aanspreken.
Dat is niet zonder consequenties. Door God ‘Vader’ te noemen, verklaren wij onszelf tot Gods dochter of zoon, belijden wij Hem als onze oorsprong: Hij die ons schiep naar zijn beeld en gelijke­nis: God, Schep­per, Ver­wekker van alle mensen. ‘Onze Vader’ wil dus zeggen, Vader van ons, mensen. Van alle mensen. We mogen die aanspraak niet verengen tot ‘mijn’ Vader. Bidden is, in de optiek van Jezus, geen loutere privé-aangele­genheid.

Niet onmogelijk dat het woord ‘vader’ bij iemand vervelende associaties oproept. Die kan met een gerust hart het beeld van de ‘moeder’ gebruiken om zich tot God te rich­ten. Veertien dagen geleden hadden we het hier nog over het volk van Israël dat zich aan Gods borsten mocht laven tot verzadigens toe. Als de profeet Jesaja het beeld van ‘God, onze moeder’ mag gebruiken, waarom zouden wij dat dan niet mogen.
Trouwens, Jezus gebruikt ‘vader’ ook niet in zijn alle­daagse betekenis. Om te voorkomen dat we God inperken tot een geïdeali­seerde aardse vader, voegt Hij er onmid­dellijk aan toe die in de hemel zijt. Zo ontstaat een verbinding tussen twee begrip­pen die schijnbaar niet bij elkaar passen: God, de totaal-andere, de verre – ‘die in de hemel is’ – en die tege­lijk ons als een vader/moeder nabij wil zijn. De af­stand tussen hemel en aarde, tussen ver en nabij, heeft Hij over­brugd door zijn Zoon te zenden. In Jezus komt die verre God ons nabij als Vader.

Uw naam worde geheiligd
Gods naam, ‘Onze Vader’ dus, moet geheiligd worden. Door ons uiteraard. Alle mensen zouden die naam moeten heiligen. Maar niet iedereen erkent God als Vader. Dus zullen wij die anderen daar­van moeten overtuigen. Dat kan slechts als de mensen om ons heen in òns leven, in ònze daden, Gods handteke­ning kunnen herkennen. Door de manier waarop wij ons als broers en zussen tegenover ande­ren gedragen zal bij die anderen het besef moeten groeien dat zij ónze broers en zussen zijn van dezelfde Vader.
Het is niet zo moeilijk om mensen met wie we goed kunnen opschie­ten, ‘onze broers en zussen’ te noemen. Maar ons pro­bleem… dat zijn al die anderen. Gods vaderschap kent geen bastaardkin­deren. Als wij zijn naam willen heiligen en Hem met ‘Onze Vader’ aanspre­ken, dan luistert Hij niet als wij tegelijk die overigen als ‘pseudo’-broers en ‘pseudo’-zussen bejegenen, om nog maar te zwijgen van die massa anderen (individuen zowel als groe­pen) die wij onver­schillig voorbijlopen. De Vader-naam van God heiligen, begint dus met het afbreken van barrières tussen mensen, met het slopen van privé-muur­tjes die we rond ons persoontje hebben opgetrok­ken. Pas als we daar aan toe zijn, kunnen we in volle eerlijkheid bidden:

Uw Rijk kome. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Het Rijk Gods komt niet uit de hemel vallen.
We kunnen ‘ach en wee’ roepen als de televisie ons ge­tui­ge laat zijn van perverse machtspelletjes op het grote schaak­bord van de poli­tiek… dingen die niet kunnen, niet zouden mogen in Gods Rijk van vrede en gerech­tigheid. Misschien erkennen we wel dat er in Gods Rijk van vrede en gerechtigheid ook geen plaats is voor soortgelijke machtspelletjes in ’t klein, zoals wij die spelen op ons eigen schaakbord­je.
Maar het Jezusgebed roept op tot actie, doet een appel op onze medeverantwoordelijkheid opdat het waar mag worden dat Gods Rijk kome, opdat het waar mag worden dat op aarde zou geschieden wat Hij wil en hoopt. God heeft handen en voeten nodig om de we­reld mens- en Godwaardig te maken. Onze handen en onze voeten.
En kunnen wij, als het noodlot ons treft, zonder opstandig­heid Jezus’ woorden tot de onze maken: “Heer, laat deze kelk aan mij voorbijgaan, doch niet mijn wil geschiede maar de Uwe”?

Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat dat voor ons betekent wordt wellicht duidelijker als we zeggen: “Geef ons heden mensenhanden die uw dagelijks brood ronddelen.” Voor zeer velen gaat het letterlijk om hun dagelijks brood. Maar de meesten onder ons zouden wellicht beter bidden: “Geef ons niet teveel brood, zodat wij niet verslaafd raken aan wel­stand en niet blind worden voor de nood van anderen” en “Leer ons delen het brood van de vriendschap, de calorieën van de glimlach, het kruim van de gastvrijheid, de smaak van onder­linge saamho­righeid die ons beschermt tegen eenzaamheid en onveilig­heid”.

En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.
Nog zo’n verzoek dat God maar best niet al te letter­lijk neemt. Misschien bidden we beter: “Vergeef ons onze schuld, maar doe het alsjeblief beter en grondiger dan wij aan anderen hun schuld vergeven”.
Maar zelfs dat is vaak een lege bede. Wij zijn meer getraind in het aanwijzen van vermeende schuld van anderen tegenover ons, dan in het erkennen van onze eigen schuld tegenover anderen. We beseffen nauwe­lijks nog hoe groot onze behoefte is aan verge­ving. Met het overlopen van zonden­lijstjes komen wij er niet. Het gaat niet alleen om wat we concreet verkeerd doen, maar ook om het passief toekijken naar al wat fout is. Al te gemakkelijk gaan we voorbij aan het goede dat we zouden kunnen doen, maar niet doen. Onze schuld is voorna­melijk: egocentrisch isolement; te weinig oog, te weinig zorg voor datgene waarvan onze naaste wakker ligt.
Misschien moeten we bidden: “Onze Vader, open onze ogen zodat we ons bewust worden van onze overmatige interesse voor vaak piet­luttig eigenbelang. En vergeef ons die schuld, opdat (en niet: ‘zoals’) wij uw vergeving zouden kunnen door­geven, en zo aan anderen hun schuld vergeven.”

En leid ons niet in bekoring maar verlos ons van het kwade
“Vader, help ons afstand te houden van de bekoorlijkheden van de wereld, de uitdagingen van de macht, de luxe die de reclame ons aanpraat. Verlos ons van kwade handen die, gevuld met overdaad, kramp­achtig steeds méér willen nemen. Leer ons vrij bewegen met open handen die kunnen geven en ontvangen. Geef het niet op met ons, ook als de moed ons ontglipt. Hou ons ver van de wanhoop, de verbittering, want die zonden sluiten ons af zodat Gij niet meer bij ons binnen kunt. Laat uw Geest in ons werkelijkheid worden, Vader. Daarop durven wij vertrouwen.
Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen.”
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.