6e zondag door het jaar C 2022 p

Wee jullie, rijken (Lc.6,17-26 ; Jer. 17,5-8)

Niet zo lang geleden zei iemand op een bijeenkomst van onze Bijbelgroep: “Het zijn altijd weer de armen die door Jezus de hemel worden ingepre­zen. Ik voel mij daar niet lekker bij. Ik hou er bijna een schuldge­voel aan over dat ik met hard werken enige wel­stand heb opge­bouwd”. Ik sluit niet uit dat er meer mensen van onze Witte-Kerkgemeenschap zich in die opmerking herkennen. Onze evangelielezing met “Wee jullie, rijken” is niet van aard om die wrevel te temperen.
Maar denkt u dat armen, hongerigen, treurenden en uitgestotenen het zo plezierig vinden dat Jezus hen ‘gelukkig’ prijst? Aan armoe, honger, verdriet of misken­ning is doorgaans weinig vreugde of geluk te beleven.
‘Ja maar  – zei Karl Marx, de peetvader van het communisme, – aan deze nu-ongelukki­gen belooft de godsdienst wel rijkelijk compensa­tie-geluk in het hierna­maals. Er staat immers in de Bijbel: “de armen van nu krijgen later de beste plaatsen in het koninkrijk van God; de hongerigen van nu zullen daar volop te eten krijgen”. Beloftes die armen en hongerigen in slaap wiegen, die ertoe leiden dat ze hun lot accepteren in plaats van er iets aan te doen. Het geloof in een hemel van eeuwige zaligheid is een zoet­hou­der die armen arm houdt; wat – niet toe­vallig – de rijke klasse goed uit­komt. Gods­dienst is een vlucht uit de ellende van het werkelijke leven naar een hemelse droomwereld. We moeten de mensen bevrijden van die waanbeelden over een gelukzalig hiernamaals, dan zullen ze bereid zijn om iets te doen aan de reële problemen in het hiernumaals. Godsdienst is opium voor het volk. ‘  Aldus Karl Marx.
En dus lanceerde hij zijn klassenstrijd met de bedoeling het kapitalisme te vervangen door communisme, dat meer gelijkheid moet afdwingen binnen de commune, binnen de gemeenschap.

Laten we beginnen met duidelijk te stellen dat Karl Marx gelijk heeft als hij zegt dat armoede een te bestrijden kwaad is, en dat armoede vaak het gevolg is van onrechtvaardige verhoudingen, van struc­turen die enkel economische vooruitgang beogen, van onderdruk­king en uitbuiting, van onrecht en discriminatie.

Ook voor de evangelist Lucas was de tegenstelling tussen arm en rijk binnen zijn eigen geloofsgemeenschap een doorn in het oog. Diezelfde hunker naar verandering, naar meer recht­vaardigheid, naar deugd mogen beleven aan het leven, leest Lucas in de ogen van de armen in zijn kerkgemeen­schap. Zijn meer begoede christenen zijn daar blind voor. Zij opteren voor een status quo die hun geld, hun bezit en hun prestige onaangetast laat. Het ergert Lucas mateloos dat op die manier door hen de doorbraak van het Rijk Gods geblokkeerd wordt. In heilige woede ontstoken legt hij in zijn evangelietekst Jezus een scherpe veroor­de­ling in de mond: “Wee jullie, rijken. De weg die jullie gaan, is een doodlopend straatje. Lach maar, wrijf maar over jullie dikke buik en geniet van jullie status. Maar daarmee hebben jullie het gehad. Want wie zich niet om de arme bekom­mert, wie niet geïnte­resseerd is in de kwaliteit van het leven en vooral van het samen-leven, komt niet aan de bak in het Rijk waar God het voor het zeggen heeft, een Rijk waar niet de bankre­kening maar de liefde telt.”
Lucas bekritiseert de rijken niet om hun rijkdom maar om het feit dat zij eigenbelang laten prevale­ren in plaats van zich, in naam van het evangelie, te solidarise­ren met de armen, de honger­igen, de ver­drieti­gen en de ver­schop­pelin­gen. Lucas wil dat zijn christenen met z’n allen – rijk en arm, jong en oud – ge­stalte geven aan een mensenwe­reld zoals die God voor ogen staat, een wereld waar èlke mens tot zijn recht mag komen.
En dat behelst meer dan enkel een herver­ka­veling van de wel­vaart die Marx voor ogen stond. In Gods Rijk van liefde gaat het, behalve om materiële, ook om warmmenselijke solidariteit. Wat dat inhoudt, vond ik mooi verwoord in een para­fra­se van de gekende para­bel over het laatste oordeel (Mt. 25,35-40). Ik lees die even voor bij wijze van slot.
“Op de dag van het oordeel zal God tegen de solidaire mens zeggen:
Ik verlangde naar een vriendelijk woord, en jij hebt Mij bemoe­digend toegesproken.
Ik had nood aan wat begrip, jij hebt aandachtig naar Mij geluisterd.
Ik had honger, jij hebt Mij een vislijn cadeau gedaan.
Ik had dorst, jij hebt me te drinken gegeven.
Ik was eenzaam, jij hebt je vrije tijd met Mij doorgebracht.
Ik was wanhopig, jij hebt Mij in je armen genomen.
Ik was kreupel, en jij bent met Mij gaan wandelen.
Ik was ziek, en jij hebt Mij bezocht.”
Dan zal de solidaire mens zeggen: “Sorry, God, ik begrijp het niet. Ik heb U nooit in mijn leven gezien… wat zou ik dat allemaal voor U gedaan hebben?”
God zal glimlachend antwoorden:
“Wat jij met je rijkdom voor de minsten der mensen hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan. En dus ben je nu bij Mij welkom.”
De solidaire mens zal verbaasd zijn, en lachen, en dansen van geluk.”
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.