6e zondag door het jaar B 2018 p

Barrières doorbreken (Lev. 13,1-2.45-46 ; Mc. 1,40-45)        (Viering)

Om de draagwijdte van Jezus’ optreden juist te kunnen inschat­ten, is wellicht enige achtergrond­informatie wenselijk.

Jezus genas een melaatse. In onze eerste lezing ging het over huidziekten. Voor ons zijn dat twee totaal verschillende dingen. Niet in Jezus’ tijd. Tussen toen en nu ligt twee­duizend jaar wetenschap. Huid­uit­slag maakte mensen toen bang omdat men geen idee had wat er juist aan de hand was, en zeker niet wat ervan de prognose was. Men wist wel dat het het begin zou kunnen zijn van iets heel ergs; mis­schien was het besmet­telijk, misschien ook niet. Maar het was hoe dan ook verdacht.
Dat een zieke zich door een pries­ter moest laten onderzoeken klinkt in onze oren vreemd. Maar in het Jodendom van toen, net als in vele (primi­tieve) samenlevingen, vervulde een pries­ter meerdere maatschap­pelijke taken: hij was niet alleen de bedienaar van de eredienst, hij fungeerde onder meer ook als medicus én als gezond­heidsambtenaar. Hij onderzocht de zieke en verklaarde hem rein of onrein. ‘On­rein’ was het cultische synoniem (de taal van de cultus, van de wet en dus ook van de priester) voor ‘melaats’. In de bijbel dekt het etiket ‘melaatsheid’ dus een brede waaier van aandoeningen, en binnen die brede waaier is wat wij onder ‘melaatsheid’, onder ‘lepra’ verstaan, slechts één van de mogelijkheden. In het allereerste stadium van lepra vertoont de huid ook witte en voze vlekken. Meer nog, zelfs kleding kon ‘melaats’ verklaard wor­den, wanneer die bijvoorbeeld bevlekt was geraakt door verdachte huiduitslag of  een huidwonde.
Wie onrein was verklaard, werd uit preventieoverwegingen uit de samenleving verwij­derd. Hij/zij mocht door niemand aange­raakt worden. Wie per ongeluk een onrein iemand had aangeraakt, werd ook als onrein beschouwd. Dat niet-aanraken was ieders verant­woordelijkheid, ook die van het slachtoffer: hij mocht zich niet laten aanra­ken. Het was dus belangrijk dat men van op afstand wist of iemand onrein was. Vandaar een hele reeks voor­zorgsmaat­regelen [twee hoofdstukken lang in het boek Leviticus, 13 en 14]. Een klein stukje daar­uit hoorden we in onze eerste lezing: “Iemand die aan een huidziekte lijdt, moet in ge­scheurde kleren rond­lo­pen, zijn haren los laten hangen, zijn baard bedekken en, als er iemand in de buurt komt, roe­pen: ‘onrein! onrein!’. Zolang de ziekte duurt, moet hij elders, buiten de bewoonde wereld, onderdak zoeken.” (v.45-46) [In de middel­eeuwen, was dat bij ons niet anders: melaatsen liepen toen met een ratel rond om, wie in de buurt kwam, weg te jagen.]
“Zolang de ziekte duurt”, staat er. Wie vermoedde dat hij van zijn huidaandoening genezen was, mocht zich weer bij de priester aanmelden. Verklaar­de die hem opnieuw ‘rein’, dan kon de genezene weer zijn plaats in de samen­leving innemen.

Met dit alles in ons achterhoofd, keren we terug naar onze evangelietekst.
Wat mij in dit verhaal opvalt, is dat – in tegenstelling tot de meeste genezings­verhalen – Jezus hier geen link legt tussen ‘gene­zing’ en ‘geloof’  of  ‘verge­ving van zonden’. Er staat alleen “Jezus was diep ontroerd”. Jezus handelde uit medelij­den, dus los van de persoon­lijke ingesteld­heid van de melaatse.

Ik zei dat, in de context van toen, een melaatse dus niet alleen een zieke was, maar meer nog – bij wet van Mozes! – een uitge­sto­tene, totaal afgesneden van zijn familie en zijn thuisba­sis. Maar wat wordt hier verteld?
– Onze zgn. melaatse ver­zaakt aan zijn burger­plicht! Ondanks zijn onrein­heid en het eventuele be­smet­tings­ge­vaar zoekt hij contact met een medebur­ger: “Heer, als U wilt, kunt U mij weer rein maken”. Misschien was dat een kreet van geloof, maar het kan ook een wanhoopskreet geweest zijn [zoals in onze tijd mensen wanhopig heil zoeken bij paragnos­ten of andere kwakzal­vers].
– En niet alleen de melaatse, ook Jezus gaat over de schreef! Hij door­breekt de barrière opge­legd door de ‘wet’ en door het gezond verstand. Hij gaat naar de man toe, steekt zijn hand uit en… “raakt hem aan” staat er! Hij kiest dus voor solida­riteit tot in het onrei­ne! Hij raakt hem aan: “Ik wil het, word rein”.

Het doorbreken van sociale barrières die mensen isoleren, is een vast patroon in het optreden van Jezus in alle vier de evangelies. Hij zoekt maatschap­pelijk uitge­stote­nen op: me­laat­sen, de over­spelige vrouw, tolle­naars, door de duivel bezete­nen, de vrouw die onrein was omdat ze aan voort­durende bloe­din­gen leed, de Samari­taanse met haar vijf minnaars, de Romeinse hon­derd­man,… allemaal mensen die door de welden­kende joodse samenleving werden uitgespuwd. Sommigen hadden door wangedrag hun isolement zelf uitgelokt; ande­ren waren voor hun marginalise­ring niet zelf verantwoordelijk omdat het een kwestie was van nood­lot, van ziekte, van vreemdeling-zijn of wat dan ook. Of het hun eigen fout was of niet, maakt voor Jezus niets uit: Hij gaat naar hen toe! Hij lapt die maat­schappe­lijke bar­rières aan zijn laars.

Meer nog. Jezus neemt niet alleen contact met hen op, Hij zorgt ervoor dat die margina­len opnieuw hun plaats binnen de samen­leving kunnen inne­men. Hier: “Ga naar de pries­ter en laat je door hem ‘gezond’ verklaren”.
Dit woord geeft ons genezingsverhaal een aparte dimensie. Gezond verklaard door de priester mag de man opnieuw zijn plaats innemen in de gemeenschap. Maar zo eenvoudig is dit niet. Wie bereid is met deze ex-melaatse normale be­trekkingen aan te gaan, legitimeert daarmee het onortho­doxe gebeuren dat aan de basis lag van die gene­zing: namelijk het publieke­lijk negeren van de wette­lijk voorge­schre­ven preven­tieregels – zowel door de melaatse die het initiatief nam, als door Jezus die, door medelijden bewogen, de man genezend had aangeraakt.
“Van overal vandaan kwamen mensen naar Hem toe”, besluit de tekst. Die vonden dus dat mensen belangrijker zijn dan re­gels. Al die anderen – zij voor wie fat­soens­normen ‘hei­lig’ zijn – konden wellicht minder waardering opbrengen voor de gene­zing van die melaatse. Zij keerden de gemeen­schap van Jezus’ volge­lingen de rug toe.

En daarmee ligt de vraag op ons bord of wij, zoals Jezus door medelij­den bewogen, ons, zo nodig op maatschappelijk onorthodoxe wijze, willen/durven engageren om de sociaal melaatsen op onze dagen de hand te reiken en hen te genezen door hun middelen en moge­lijkheden aan te bieden om zich in onze samen­leving te inte­greren. Blijven wij ons echter verschuilen achter de heersende maat­schappelijke barrières en heulen we mee met de populistische zondebokkenmentaliteit, dan maken we ons medeplichtig aan hun sociale melaats­heid, en plaatsen daarmee onszelf buiten de gemeen­schap rond Jezus Christus.
Marc Christiaens o.p.

Download PDF
Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.