6e zondag doaar A 2020 p

16.02.2020        (Viering)

Jezus over het Jodendom
(Mt. 5,17-37)
Generatieslang heeft de Kerk verkondigd dat Jezus zich tegen het Jodendom heeft afgezet en dat de joden Hem daarom vermoord hebben. Het tweede Vaticaans concilie betekende op dit punt een bekeringsmoment voor de katholieke Kerk. In het verlengde daarvan erkende paus Johannes-Paulus II dat het christelijk antisemitisme – met alle excessen waartoe die haatge­voelens geleid hebben, denk o.m. aan de Holocaust – te wijten is aan eeuwenlange “onjuiste en onrecht­vaardige interpretaties van het Nieuwe Testament” door de katholieke Kerk.

Jezus en zijn leerlingen waren immers godsgetrouwe Joden in hart en nieren. Vooral Mattheüs heeft dat herhaalde­lijk benadrukt. Onder meer in de evangeliepassage die we daarnet gehoord hebben, waar hij Jezus laat zeggen: “Denk niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen” (v. 17).
Twee vragen dringen zich hierbij op:
– Wat betekent ‘Wet en Profeten’?
– Wat bedoelt Jezus als Hij zegt dat Hij gekomen is om Wet en Profeten te vervullen?

Wet en Profeten
Volgens de joodse traditie heeft God zich geopenbaard in de schepping en in de manier waarop Hij met zijn volk in de loop van de geschiedenis is omgegaan. Dat alles werd neergeschreven in wat de joden ‘de Thora’ noemen, en wat voor ons de eerste vijf boeken van het Oude/Eerste Testament zijn. Het auteurschap van die vijf boeken wordt aan Mozes toege­schreven, de grootste profeet die de joodse traditie kent. [Historisch on­derzoek heeft aangetoond dat Mozes die nooit kan geschreven hebben, maar dat is hier niet ter zake].
Dat hebreeuwse woord ‘Thora’ wordt gewoonlijk vertaald door ‘de Wet’. In onze oren heeft het begrip ‘wet’ een juridische klank: spelregels waaraan iedereen zich te houden heeft op straffe van. Die juridi­sche dimensie zit oorspronkelijk niet in het woord ‘Thora’. We kunnen het dus beter vertalen als ‘richtsnoer’, als ‘aanwijzing’: in de verhalen over de schepping en in de manier waarop God en zijn volk destijds in goede en kwade dagen met elkaar omgingen, vindt de gelovige jood aanwijzingen hoe God wenst dat mensen nu omgaan met God en met hun medemensen.

Profeten waren religieuze voormannen die in latere eeuwen de Thora interpreteerden en aan het joodse volk duidelijk maakten hoe het te leven had om God welgevallig te zijn. Zij leverden ook kritiek op wie zomaar zijn eigen gangetje ging. In de loop van de geschiedenis zijn toespraken van bepaalde profeten – Jesaja, Jeremia, Amos, Sefanja bijvoor­beeld – te boek ge­steld. Een aantal daarvan zijn bewaard gebleven en werden ook opge­nomen in ons ‘Oude/Eerste Testa­ment’. Profetische geschriften zijn in de joodse traditie dus een nadere toelichting, een eigentijdse actualisering van de ‘Thora’.
Wanneer Jezus dus zegt dat Hij niet gekomen is om Wet en Profeten op te heffen, dan geeft Hij daarmee te kennen dat Hij trouw is aan de joodse traditie, aan zijn eigen religieus verleden, aan het geloof van de voorvaderen. Hij onderschrijft ‘Wet en Profeten’ tot de laatste komma (v.1Smilie: 8) en komt die vervullen. Wat betekent dat laatste?

Farizeïsme
Jezus zegt eerst wat Hij niet bedoelt: “Als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan” (v. 20).
Schriftgeleerden en farizeeën vertegenwoordigden ten tijde van Jezus een bepaalde strekking binnen het Jodendom: zij waren de mannen van de letter van de wet. Zij degradeer­den de Thora tot een wetboek. Ik zeg ‘degraderen’, want wan­neer je van een ‘aanwij­zing’, een ‘richtlijn’ een letterlijk na te leven regel maakt, dan kun je wel eens uitko­men bij het tegenovergestelde van die richtlijn beoogt. Een voorbeeld (Mt. 12,9-14). Jezus geneest iemand op sabbat. De farizeeën geven Hem ervan langs want volgens hen druist dat in tegen de voorgeschreven sabbatrust. Maar volgens hun strikte inter­pretatie mag iemand zijn schaap, dat toevallig op sabbat in een beek is gesuk­keld, er wel uithalen. Zij accepteren dus uitzonderingen op de sabbatrust als het eigenbelang in het geding is, maar niet om iemand anders te helpen. Van dat soort kromme redeneringen krijgt Jezus het op de heupen. “Ware gerech­tigheid steekt torenhoog uit boven wat fari­zeeën en schriftge­leer­den ervan maken”. En sindsdien is ‘farizeeër’ syno­niem van ‘schijnheilige’.
Jezus, de gelovige jood, heeft nooit het Jodendom alszodanig bekritiseerd, maar wel de farizeïsche strekking binnen het Jodendom.

Vervullen
Voor Hem is ware gerechtigheid: het ten volle aan het licht brengen van wat de Thora en de profetische geschriften beogen: harmonie tussen de mens en God, en tussen mensen onderling. ‘Harmonie’ is meer dan ‘zich houden aan de spelregels’. Het betekent ook: je hart op de juiste plaats dragen, mensvriende­lijke en godvrien­delijke ingesteldheid. Jezus illustreert dat in onze evangelietekst met enkele voorbeelden uit de tien geboden die in de Thora – ons boek ‘Exodus'(20, 2-17) – opgetekend staan:

Daar staat: “U zult niet doden”. Dat impliceert, zegt Jezus, meer dan alleen maar een wettelijk verbod op moord en doodslag. Je mag je medemens ook niet doodzwijgen, je mag je medemens ook niet kapot maken met je geroddel. Geen wet die dat kan be­straffen, maar God roept je daarvoor wel ter verantwoording. En als het tussen jou en je broeder toch scheef zit, loop dan niet naar de kerk maar naar je broeder en verzoen je met hem. Daarna ben je welkom bij God.

Er staat in de Thora: “U zult geen echtbreuk plegen”. Maar, zegt Jezus, trouw en ontrouw is niet alleen een kwestie van het juiste of het verkeerde bed. Met je blikken, in je fantasie of anderszins een medemens tot lustobject reduce­ren – of dat nu je partner is of iemand anders – doet geen recht aan wat God voor ogen stond toen Hij de mens schiep naar zijn beeld.

Er staat in de Thora: “U zult uw eed niet breken”. Natuur­lijk mag je dat niet. Maar ik zeg jullie: je hoeft niet te zweren en God tot getuige te roepen dat je de waarheid spreekt. Zeg ‘ja’ als het ‘ja’ is, en ‘neen’ als het ‘neen’ is. En als je dat altijd doet, dan weten de mensen dat ze jou kunnen vertrouwen.

Heiligheid
“Ik ben niet gekomen om Wet en Profeten op te heffen maar om ze te vervullen”. Jezus, de gelovige jood, komt dus – tegen de farizeeën in – de Thora – Gods plan met de mens – in ere herstellen. Hij wil mensen bevrijden uit het karkas van het legalisme, de schijn van heiligheid doorprikken, aangeven hoe wij de wereld mensvriende­lijker, leefbaarder, warmer kunnen maken – kortom hoe wij de wereld kunnen omvormen zoals God hem heeft gedroomd.
Wie zich inzet om Gods droom waar te maken, dat is dan een heilig mens? Heiligheid heeft alles met mens­vrien­de­lijk­heid, leef­baarheid en warmte te maken. Zo eenvoudig is dat. Maar ook zo moei­lijk. Want dat is vallen en opstaan.
Marc Christiaens o.p.  


Bezinning:
Het gaat niet om de letter van de wet.
Die maakt dood en beknelt.
Het gaat om de geest van de wet,
het hart, dat spreekt van liefde
en wijst naar bevrijding.

De letter van de wet geeft minimumeisen,
er zit nauwelijks leven in.
Het hart van de wet vraagt meer:
vraagt om inzet en vrede,
om goede wil en vergevingsgezindheid.
Het hart wijst naar levensruimte,
naar leven, volop.
Het leven, de woorden en daden van Jezus,
zijn een voorbeeld en een uitdaging tegelijk.
Ze stijgen uit boven elk ‘wettisch’ denken.
Ze vragen om ‘meer dan het gewone’,
om inzet en zorg voor mens en wereld.
Ze vragen  om een hartelijk leven,
een leven in zijn geest.

 

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.