6e Paaszondag C 2016 p

 1 mei 2016         (Viering) 

Op eigen vleugels
[Joh. 14,23-29]

Onze lezing begon ook vandaag weer met dat neutrale: “Jezus zei eens tot zijn leerlingen…”. Maar toch is deze tekst geen ‘zomaar een terloopse uitspraak’. Jezus reageert op een opwerping van een van zijn apostelen, Judas Taddeüs. Die onderbrak Jezus tijdens diens afscheidsrede op Laatste Avondmaal: “Heer, hoe komt het dat Gij U wel aan ons, maar niet aan de wereld zult openbaren?” (v. 22).
Jezus had het al de hele tijd over zijn nakend heengaan gehad. Deze apostel vroeg zich af – en wellicht een aantal collega’s met hem – of het niet goed zou zijn dat Jezus, nu het nog kon, een overtuigend zichtbaar teken zou stellen, iets spectaculairs misschien, waarmee Hij aan heel Jeruzalem en ver daarbuiten zou duidelijk maken dat Hij de langverwachte Messias is. Taddeüs was bang dat, als Jezus uit circulatie verdween, de leerlingengroep zou kunnen uiteenvallen – zo gaat dat vaak met religieuze bewegingen als hun charismatische leider wegvalt – en dat het brede publiek dan nooit zou weten dat Jezus van Godswege gezonden was geweest tot heil van alle mensen.

Jezus’ reactie is, zoals wel vaker, verrassend, en weer eens geen rechtstreeks antwoord op de gesteld vraag. Hij zegt: “Als jullie Mij liefhadden, zou het jullie met vreugde vervullen dat Ik heenga naar de Vader”.
Om te proberen dat duistere antwoord wat te verhelderen, begin ik met een flinke zijsprong.

Hoog tegen de rots hangt het nest van de arend, onbereikbaar voor dreiging van buitenaf. Voor jongen die pas uit het ei zijn gekomen, is dat nest een veilige wereld, warm en beschuttend. De arend vliegt af en aan om voedsel aan te dragen. Luid gekwetter en opengesperde snaveltjes.
Na een paar weken zijn de jongen zo groot geworden dat er ruimte te kort is in het nest. Dicht en ongemakkelijk opeengepakt, speuren ze over de rand. Daar gaapt een onheilspellende diepte. Alleen op vleugels kun je deze plek verlaten. En dus moet er geoefend worden. Er wordt gefladderd, eerst in het nest, wat later waggelend op de rand. De grote sprong wagen is niet zonder risico: soms haal je de dichtstbij zijnde rotspunt niet, of glijdt je eraf. Vader of moeder arend duikt dan onder het neerstortend jong en gooit het omhoog zodat het weer kan fladderen. De ouders blijven dat doen tot het jong veilig op eigen vleugels kan vliegen. Maar dat is dan tegelijkertijd het moment van afscheid: het jong gaat zijn eigen weg.
Enerzijds is het ontroerend als je ziet hoe de ouder een jong helpt zelfstandig te worden, en tegelijk kijk je ervan op dat er zo nuchter afscheid wordt genomen. Niks vertedering voor bijvoorbeeld een jong dat nog wat langer in het nest wil blijven. Als er kàn gevlogen worden, dan móét er ook uitgevlogen worden. Desnoods zal een ouder het jong letterlijk het nest uitduwen. Het uur van zelfstandigheid is onverbiddelijk.

‘Neen, m’n beste Taddeüs, stunts om de wereld te overtuigen van mijn zending, moet je van Mij niet verwachten. Mijn levenstaak zit erop. Ik ga heen. Voor jullie is de tijd van volwassen gelovige-zijn aangebroken. Jullie moeten op eigen vleugels gaan vliegen. Van nu af is het jullie taak en jullie verantwoordelijkheid om Mij aan de wereld te openbaren.’

Wat Jezus zegt klinkt hard, maar het moet. Maar net als de arend geeft ook Jezus zijn vrienden een steuntje in de rug op weg naar volwassen geloof. Twee steuntjes eigenlijk:
1. Hij vat nog eens in twee woorden samen hoe zij Hem moeten openbaren;
2. en Hij belooft zijn vrienden hulp: “mijn Vader zal jullie in mijn naam een helper zenden, zijn heilige Geest.”

Ad 1. De twee woorden waarmee Jezus samenvat hoe zij zijn Boodschap kunnen uitdragen, luiden: Mij liefhebben en mijn woord ter harte nemen.
Dat zijn geen twee verschillende opdrachten maar de twee kanten van eenzelfde medaille: Jezus liefhebben kan niet zonder dat wat Hij verkondigd heeft, ter harte te nemen. Hem liefhebben is veel meer dan een affectief, warm gevoel. Het gaat om verknocht-zijn aan, zich verbonden weten met Hem. Het gaat om liefde die gestalte krijgt in doen wat de ander van jou verwacht. En wie op die manier Jezus liefheeft, zal ook door Jezus geliefd worden en “hem zal ook mijn Vader liefhebben en Wij zullen bij hem ons verblijf houden”, voegt Hij eraan toe. Letterlijk vertaald staat er: Jezus en zijn Vader zullen in die persoon hun tent opslaan. God zal dus in die persoon inwonen. En dat ‘innerlijk door God vervuld zijn’ zal je dan uitstralen naar de wereld. Zo dus moeten zijn volgelingen Jezus en zijn Boodschap uitdragen.

Ad 2. Om op die manier Jezus lief te hebben is wat extra hulp best welkom. “De heilige Geest zal jullie in alles onderrichten en jullie laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb.”
Uit de evangelieverhalen weten we dat de leerlingen, toen Jezus nog bij hen was, geregeld niet veel begrepen van wat Hij hun leerde.
In die heilige Geest zal God zelf hun ter hulp komen. Maar zijn Geest dringt zich niet op. Het Griekse woord dat Johannes gebruikt om de heilige Geest te benoemen is ‘Parakleitos’, letterlijk: ‘degene die erbij geroepen wordt’. Je moet Hem roepen, uitnodigen om in jou binnen te komen. Zijn inbreng is weliswaar pure gave, maar is geen automatisme. Voor alles wat God voor ons en met ons wil doen, vraagt Hij onze toestemming en onze medewerking. God respecteert ten volle de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de mens. Willen we dat de Geest komt en werkzaam is, dan zullen wij ons voor Hem moeten openstellen. De God van de Bijbel is immers geen opdringerige-almachtige God die baas is over de gebeurtenissen en de geschiedenis naar zijn hand zet. Neen, Hij is een meegaande God, gezelschap op onze levensweg. Hij ging destijds mee met zijn volk door de woestijn; Hij dook met hen onder in de ballingschap. Jezus’ leven was één groot getuigenis van die meegaande God, meegaand tot in de dood, zelfs meegaand door de dood heen naar nieuw leven.

“Als Ik er lijfelijk niet meer zal zijn, blijf Ik toch met jullie meegaan.” zegt Jezus, “Daartoe zend Ik jullie Iemand die ‘bij-je-blijft’, de heilige Geest, die werkt in je hart. Dat is mijn Pinkstergave aan jullie. En dus, m’n beste Taddeüs – en jullie allemaal, apostelen van toen en apostelen van nu – Ik ga heen, en voor jullie is de tijd van volwassen gelovige-zijn aangebroken. Van nu af is het jullie taak en jullie verantwoordelijkheid om Mij aan de wereld te openbaren. En dat moet jullie niet ongerust of bang maken. Integendeel, je mag blij zijn, want als je straks op eigen vleugels vliegt, dan vlieg je veilig met Gods Geest in de cockpit van je hart.”
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.