5e zondag van de vasten C 2022 p

Dubbele moraal     (Joh. 8,1-11)           C-5de vastenzondag

De list was goed bedacht! De reputatie van Jezus als een zachtaardig en barmhartig iemand was voldoende gekend. Men wist bovendien dat Hij al verschillende keren blijken van respect had betoond tegenover vrouwen.  Zijn oordeel vragen over deze vrouw was dus het ideale middel om Jezus te betrappen op een wetsovertreding. Kan Jezus in het openbaar iets anders doen dan de wet van Mozes beamen, hoe onbarmhartig die op dit punt ook is?
Zegt Jezus: “Dood haar maar, het staat inderdaad in het wetboek”, dan overtreedt Hij bovendien de Romeinse wet die de joodse overheid verbiedt zelf een doodstraf uit te voeren. Maar Mozes afvallen en de Thora veronachtzamen kan Hij ook niet.  Hoe redt Hij zich hieruit?

Gaan we eens samen het gezelschap vervoegen, daar op het voorplein van de tempel?
Als man mag je vooraan gaan staan, juist achter de schriftgeleerden. Als vrouw mag je vanop afstand toekijken.
Zie je haar staan die veroordeelde vrouw? Ze hebben haar bij haar haren naar hier gesleurd. Zij ziet er nogal slonzig uit, met verwarde haren en haar kleed gescheurd… Je ziet onmiddellijk dat het geen deftige vrouw is!

Er werd die vrouw niets gevraagd, zij was schuldig dus moest zij sterven en daarmee basta. In feite was ze al dood, ze was geen vrouw meer, geen persoon, alleen nog een gebruiksvoorwerp, een middel om Jezus erin te luizen. Straks zou ze in de kuil slechts   een hoopje vlees en gebroken beenderen zijn …

De schijnheilige vraag is gesteld: “Meester, wat denk jij hierover?”
Een stilte volgt. Jezus heeft natuurlijk meteen de sluwe draagkracht van de vraag begrepen. Hij bukt zich en schrijft met een vinger in het zand.  Zie je de grijns op het gezicht van de farizeërs: nu hebben we hem, hij zit vast en weet niet wat zeggen
Maar de wetgeleerden worden ongedurig en willen triomferen; dus dringen ze aan op een antwoord.
Jezus richt zich op en kijkt hen recht in de ogen. “Ok – wie zonder zonden is, hij werpe de eerste steen” De wetgeleerden worden meteen voor hun eigen geweten geplaatst.  De meest wijze onder hen, die trouwens maar half akkoord was met heel het opzet, denkt – na een kort gewetensonderzoek – “Ja, in feite is het niet aan mij die eerste steen te werpen…” en hij druipt af. Hij wordt gevolgd, eerst door zijn leeftijdsgenoten, maar al spoedig druipen ook de jongere mannen af.

Druipen wij als man ook af? Of voelen wij ons gerechtigd om een steen op te rapen?
Voelen wij als vrouw het onrecht, de schaamte en de doodsangst, of denken wij: “Och het wordt eens tijd dat er een voorbeeld gesteld wordt en ze heeft toch zwaar gezondigd, niet?”
De veroordeelde weet niet waar ze het heeft. Ze durft nog niet geloven dat het gevaar geweken is.   Want wat wil die Jezus in feite?  Maar ze wordt door Jezus aangesproken. Hij stelt haar een vraag! Opent een dialoog met haar! Erkent haar dus als persoon en, zonder haar gedrag goed te keuren, geeft Hij haar toch een tweede kans! “Ga en zondig niet meer!” Wat Jezus hier doet is de wettische mannenmoraal doorbreken en de vrouw het gevoel geven een tweede kans te krijgen.  Door haar niet te veroordelen geeft Hij haar het vertrouwen in zichzelf terug.  Dat wordt een bron in haar, die een nieuw leven mogelijk maakt.

Voor Jezus bestaan geen twee maten en twee gewichten, man of vrouw, geleerd of niet, iedereen krijgt gelijke kansen. Waar wij mensen slechts twee mogelijkheden kennen: veroordelen of vrijspreken, beschikt Jezus nog over een derde mogelijkheid: Hij veroordeelt de zonde hard, maar heeft de zondaar intens lief.  Deze liefde is niet van voorwaarden afhankelijk, want liefde in haar puurste, in haar goddelijke vorm, is altijd onvoorwaardelijk.
Om dit evenwicht te vinden en te beheersen moet je uiterst wijs zijn. Voor zoiets moet je de ware mensenzoon zijn; dat was Jezus, met zijn “allereigenste talent”.
Paul Caroen o.p.

Bezinning
                   Avondliedeke
’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd dat eenzaam was,
Dan voel ik, op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avond-zoen.
’t Is goed in ’t eigen hert te kijken En zó z’n ogen toe te doen.  
                                      Alice Nahon

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.