5e zondag van de 40 dagen tijd C 2019 p

Over moraal en morele regels [De overspelige vrouw] (Joh. 8, 1-11)           (Viering)

Info vooraf: Het verhaal van de overspelige vrouw hoort oorspronkelijk niet thuis in het Johannesevangelie. Het is anders qua stijl en taalgebruik: Johannes heeft het bij­voorbeeld nooit over ‘schriftgeleerden en Farizeeën’, en de tactiek om Jezus met een strikvraag in de val te lokken is ge­bruikelijk bij de synoptici, niet bij Johan­nes. Boven­dien onderbreekt het verhaal de samen­hang tussen Joh. 7,52 en 8,12.
In de oudste evangeliehandschriften komt dit verhaal helemaal niet voor. Het duikt op als een ‘zwerf­steen’ in de Nieuwtesta­mentische traditie. Waarschijnlijk werd dit verhaal uit de monde­linge traditie niet meer opgenomen in de synoptische evange­lies omdat de tekst van die evange­lies al vastgelegd was toen men dit verhaal optekende. Uiteindelijk is het in zijn huidige plaats terechtgekomen als een illustratie van Jezus’ uitspraak: “Gij oordeelt naar het aardse, Ik oordeel niemand” (Joh. 8, 15).

Jezus geeft onderricht op het voorplein van de tempel. Het volk zit en staat rond Hem. Enkele schriftge­leerden en Fari­zeeën breken de kring open, duwen een vrouw in het midden. De kring sluit zich opnieuw. Wat volgt is een scène met drie personages: de vrouw, Jezus, en de gesloten kring daarrond.

De vrouw staat centraal. Centraal te schande gezet. Doodsbang is ze, want er hangt haar een  terdoodveroordeling door steni­ging boven het hoofd, wegens echtbreuk.
[Volgens de joodse wet stond op overspel: dood door steni­ging (Lev. 20,10; Deut. 22,22). Voor zover bekend werd deze vorm van executie in Israël niet of bijna niet in praktijk gebracht. Trouwens, in Jezus’ tijd, mochten de joden geen doodvonnis­sen uitvoeren. Dat recht reser­veerde de Romeinse bezetter voor zich­zelf. Maar de oude wet maakt wel duide­lijk dat het om een zeer zwaar vergrijp gaat: een overspelige werd uitgestoten uit de gemeen­schap, werd dus maat­schap­pe­lijk, gods­dien­stig en geeste­lijk dood verklaard. Een levende dode.]
Zij staat daar. Alleen. Niemand die haar zegt dat hij nog van haar houdt; niemand die haar zegt dat hij haar haat; niemand die haar eens flink de waarheid zegt. Als iemand haar had toegesproken – hoe dan ook – zou ze tenminste nog het gevoel gehad hebben dat ze leefde. Maar zelfs dat is haar niet gegund.
Typisch voor de visie van onze maatschappij op schuld als het over seks gaat – zeg maar ‘de mannelijke visie’ van onze maatschappij:
– vrouwen plegen overspel; mannen maken een slippertje;
– zwanger en geen vaste relatie; o schande! Maar de verwekker kan zonder kleerscheuren uit beeld verdwijnen;
– een vrouw verkracht? Zal ze zelf wel uitgelokt hebben, zeker?
Vrouwen krijgen vaak de volle lading; voor het aandeel van de man knijpt men een oogje dicht, soms zelfs twee.

Niemand is dus geïnteresseerd in de persoon van de vrouw daar in het midden. Ze is al ‘dood’ verklaard. Ze is nog slechts relevant als ‘middel’ om Jezus in verlegenheid te brengen.
Dat brengt ons bij de schriftgeleerden en Farizeeën en bij de rest, allemaal broederlijk naast elkaar in een gesloten kring. Samen sterk, gesterkt door de wet, de wet van Mozes, dus de wet van God. De gesloten kring van de deugdzamen, van de bewakers van de goede zeden… De opgewonden bewakers van de goede zeden. Want overspel prik­kelt. Die vrouw deed, waarover zij alleen maar durven fantase­ren. Zij kleden haar uit met hun ogen, jaloers omdat zij niet met dat lichaam geslapen hebben. Hitsige voyeurs, die genieten van een buitenkansje.

Het derde personage: Jezus. Hij zit in slechte papieren. Zij hebben Hem een keuze opgedron­gen:
– ofwel kiezen vóór de wet en dus tegen de vrouw (dat Hij daarvoor zou opteren, verwachten de Farizeeën niet. Zo goed kennen ze Hem al);
– ofwel kiezen vóór de vrouw en dus tegen de wet (maar dan hangt Hij, want de wet van Mozes lap je niet ongestraft aan je laars).
Jezus zit te dubben. Zwijgend. Tekeningetjes maken in het zand. In zichzelf gekeerd. Passiviteit die de opgewonden gesloten kring irriteert. En dus dringen ze aan op een antwoord. En dan komt het: “Wie zonder zonde is, moet maar als eerste een steen op haar werpen” (vgl. Deut. 17,7).

Wanneer gooien wij met stenen? Want dat doen we toch allemaal af en toe. En soms zijn we daar heel creatief in. Hoe reageer jij als je het gevoel hebt dat iemand je weloverwogen een hak zet? Terugslaan? Je slachtofferrol nog wat aandikken – ‘zie eens wat jij me aangedaan hebt’ – in de hoop dat die schurk met schuldgevoelens wordt opgezadeld; in de hoop dat anderen medelijden krijgen en ook zij die schurk de rug toeke­ren – ’t zal hem leren.
Roddelen is ook zo iets. Dat schept een wij-gevoel, en wij-gevoel stimu­leert. Als je oog in oog met het slachtoffer staat, durft je geen steen oprapen; maar achter zijn/haar rug voelen wij-samen ons veilig. En dus… gooien maar.

Jezus zegt niet: ‘werpen maar’. Hij zegt: ‘Kijk eens in je­zelf. Sta daar niet naar die vrouw te lonken maar keer je blik naar binnen. Kijk tot diep in je hart, daar waar je niet anders kunt dan eerlijk te zijn met jezelf’. Die confrontatie met hun diepste ik heeft een verrassende consequentie: de gesloten kring breekt open. Ze druipen af. Een voor een, de oudsten eerst.

Hadden die Farizeeën en consoorten die vrouw dan ten onrechte gedagvaard? Natuur­lijk niet, echtbreuk is weldegelijk een aantasting van de door de wet be­schermde huwelijks­trouw. Jezus ontkent dat niet, maar zijn interesse ligt el­ders. Hij reageert tegen het simplisme van de Farizeeën. Zij stellen zonde gelijk met het overtreden van morele gedragsre­gels. Daarom moet die vrouw gestraft worden want zij had zich niet gehouden aan de spelregels van het huwelijk. Daarom vonden zij zichzelf deugdzaam want zij waren niet met de verkeerde naar bed geweest.

Dat moraal verengd wordt tot ‘leven volgens de regels’, daar reageert Jezus tegen. Voor God is iemand die niet doet wat verboden is, daarom nog geen deugdzaam mens. Deugdzaam­heid en zondigheid zijn geen zaak van regeltjes, maar een zaak van het hart. Kwaad wortelt in het hart van de mens. Het kwaad dat door ons hoofd spookt, zetten we niet altijd om in daden. Het verschil tussen iets kwaads doen en het niet doen, is soms heel klein: je kunt wel willen, maar je durft niet, of de gelegenheid doet zich niet voor. Het verschil tussen wel zondigen en niet zondigen daarentegen is niet te herleiden tot meer of minder lef; tot wel kans of geen kans krijgen.
Overspel bijvoorbeeld gebeurt allereerst in je hoofd en in je hart. Of het ook in bed gebeurt, hangt dikwijls af van omstandig­heden die deels buiten jezelf liggen. Zo bekeken zijn die hitsige toeschouwers in de gesloten kring en de overspelige vrouw in hetzelfde bedje ziek.

Jezus heeft zich vaak geërgerd aan de Farizeïsche mentaliteit die ‘goed leven’ gelijk stelt met ‘je houden aan de regels’. Ooit, in een kwade bui, heeft Hij hen uitge­scholden voor “witge­kalkte graven, mooi van buiten maar rot van binnen”. Vandaag reageert Jezus constructie­ver: Hij drukt ze met de neus – niet op de feiten – maar op hun hart. En wat ze dan zien, daar schrikken ze van. Ze druipen af. Beschaamd, niet tegenover de vrouw, niet tegenover Jezus, maar beschaamd tegenover zichzelf. Ze beseffen plots dat ook zij zondig zijn, en dat ze daarom niet het recht hebben om een ander koudweg te veroordelen enkel op basis van feiten. Niemand van hen – niemand van ons – heeft een zuiver geweten als hem door Jezus een spiegel wordt voorgehouden. Dit schaamtegevoel, dit besef van zondig­heid, kan voor hen – en voor ons – de start worden om het over een andere boeg te gooien.

Doodsverlaten staat de vrouw te wachten op haar doodvonnis. Plots voelt zij dat er toch iemand is, die interes­se heeft in haar als persoon. Die Jezus. Die erkenning doet haar opleven, doet haar opnieuw leven. Ondanks alles toch nog gewaardeerd worden als mens, kan voor haar de start zijn om het over een andere boeg te gooien.
Jezus veroordeelt haar niet, maar geeft haar een nieuwe kans. “Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer”.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.