5e zondag door het jaar C 2016 p


7 februari 2016       (Viering)


Een mens mag nooit opgeven !


Graag start ik met uit elk van de voorbije lezingen een stukje te citeren.
‘Het laatst van allen, als aan een misgeboorte, is Christus ook verschenen aan mij. Ik ben immers de minste van de apostelen, niet waard om apostel te heten, want ik heb de kerk van God vervolgd.’: zo schrijft Paulus aan de christenen van Korinthe.
En Petrus zegt in het evangelie: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’
Tja! Paulus noemt zichzelf een gedrocht, onwaardig om apostel te zijn en Petrus bestempelt zichzelf als een zondaar. Beiden beseffen bij hun roeping dat ze niet onbesproken zijn. Nochtans zijn Petrus en Paulus de twee apostelen die na Jezus’ dood de Kerk hebben geleid en uitgebouwd.
Toen Paulus nog Saulus heette, was hij een radicale, zeg maar fundamentalistische jood. Hij leefde volgens de strengste regels en hij verdedigde fanatiek Mozes’ wet. Bijgevolg was Saulus een geducht tegenstander van de christenen, omdat voor hen niet die wet maar wel Jezus de basis van hun bestaan vormde. Tijdens de christenvervolging die daaruit voortvloeide, ontpopte Saulus zich als leider. Hij was erbij wanneer Stephanus gestenigd werd. Verder vernietigde hij plaatsen waar christenen samenkwamen. Hij sleurde mannen en vrouwen uit hun huizen en gooide hen in de gevangenis. Hij was wellicht de meest extremistische christenvervolger van zijn tijd. Een opruier die mensen tot moord en doodslag ophitste en zelf ook niet vies was van geweld. Niets hield hem tegen! De laatste christen diende uitgeroeid te worden. Anno 2016 vind je geen betere terrorist binnen IS of Al Qaida.
Tot Saulus op weg naar Damascus tegen de verrezen Jezus aanbotste. Jezus die hem voor de essentie plaatste, en Saulus die in een flits die werkelijkheid ook erkende. En van het ene moment op het andere transformeerde de christenhater Saulus naar de grote apostel Paulus.
Ook Petrus had boter op het hoofd. Hij noemde zichzelf een zondaar.  Later zou diezelfde Petrus Jezus -in de meest hachelijke periode van zijn leven, wanneer echte vrienden er onvoorwaardelijk moeten staan- verraden, tot driemaal toe.
Petrus en Paulus, twee mensen met een gehavend verleden, mensen met fouten en gebreken… en toch gaat Jezus met hen in zee en maakt hen vissers van mensen.
Beste mensen, de ommekeer van die twee is voor ons een teken van onverwoestbare hoop. Iedereen kent momenten van zwakte, lafheid, ontmoediging en tegenslag of mensen die over de schreef gaan, zo erg dat ze ervoor gestraft worden en in de gevangenis terechtkomen. De lijst van voorvallen waardoor mensen in de put geraken is eindeloos en het lijden dat daarmee gepaard gaat, is onuitsprekelijk. Misschien denken we dan: Het is gedaan. ik kom die ellende nooit meer te boven. Of: Ik ben wie ik ben en ik zal toch nooit kunnen veranderen. Eens verkeerd, altijd verkeerd.
Petrus en Paulus leren ons dat geen enkele put te diep is, dat niemand eeuwig veroordeeld wordt. Zij wijzen ons de weg: de weg naar Jezus. Petrus neemt Jezus mee in zijn boot, en dat is merkwaardig: Jezus is immers geen visser, maar een timmerman. En toch werpt Petrus op zijn vraag de netten opnieuw uit, ook al weet hij als professionele visser dat er die nacht niets te vangen is. En we kennen het vervolg: overvolle netten.
Paulus van zijn kant ontdekt in een indrukwekkend visioen -op weg naar Damascus waar hij de christenen wil gaan uitroeien- letterlijk het licht dat Jezus is. Hij zal voortaan de christenen niet langer vervolgen maar versterken.
Beste mensen, geen put is te diep als we Jezus in onze boot, op onze weg meenemen.
Jezus die ons redt en alleen maar zegt: ‘Ik veroordeel je niet. Ga heen en zondig voortaan niet meer.’ Jezus die de mensen aankijkt met de warme ogen van God, hen aanraakt met Gods tedere handen, naar armen en zieken toegaat met het zorgende hart van God. Jezus die zegt: ‘Ik zal bij je zijn tot het einde der tijden. In welke put je ook valt, wat je ook uitspookt, hoe ontroostbaar je verdriet en hoe immens groot je leed nog mag zijn, Ik ben bij je. Bij Mij kun je altijd terecht.

En ook wij worden allemaal -evenals Petrus en Paulus- geroepen door God. Maar … durven wij ons net als hen met hetzelfde vertrouwen aan Hem overleveren?
Ik denk dat onze twijfel een heel evangelische houding is. Dat we bewust zijn dat we eigenlijk te klein zijn voor de taak waartoe God ons roept. Bij hem mag je echter met je kleinheid en je onmacht aankloppen. En dank zij God zijn we tot meer in staat dan we durven vermoeden.
Laten we dus Jezus meenemen op onze leventocht. Hij is een veilige weg, een licht in het donker. Hij heeft woorden van geloof, van hoop maar vooral van liefde en barmhartigheid. En laten we proberen vissers van mensen te worden zoals Hij is en aan ieder van ons vraagt.
In de wereld van vandaag weten ontelbare mensen niet hoe uit hun miserie te geraken. Oorlogsbeelden overspoelen dagelijks ons Tv-scherm. Bootvluchtelingen riskeren hun leven om te ontsnappen aan oorlog en uitbuiting door wanbestuur. Massa’s mensen lijden honger omwille van het onrechtvaardig verdelen van rijkdom in de wereld.  Ook in het rijke Westen sukkelen mensen in armoede door ziekte of tegenslag. Al die mensen verlangen ernaar, uit hun ellende gehaald te worden, te worden opgevist en opgevangen.
Laten we zelf Gods warme ogen, Gods tedere handen, Gods zorgende hart, Gods luisterende oren zijn voor elkaar en al onze medemensen. Amen.
Monique Van Caenegem-Suys

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.