5e zondag door het jaar C 2007

Begroeting

+ De genade van God onze Vader,
de liefde van de Heer Jezus Christus
en de kracht van de Heilige Geest zij altijd met ons. Amen.

Openingswoord 1

Soms zou je er de moed bij verliezen:
de kerken lopen leeg,
jongeren haken massaal af,
en wie op de stoel naast je zit
ziet er alweer grijzer en gerimpelder uit.

Je voelt je als die mannen uit het evangelie:
een hele nacht gevist,
niets gevangen.
Ze bijten niet meer.
De vissers zitten vol angst en onzekerheden.

Tot Jezus hun weer vertrouwen inspreekt:
Gooi je netten uit…

Vaak in eenvoudige mensen om ons heen,
treedt God ons tegemoet.
Hij roept, Hij vraagt,
Hij nodigt uit vol te houden…
vaak op het ogenblik
dat we overwegen er de brui aan de geven.

Openingswoord 2

Je hebt een hele dag gewerkt.
Het resultaat is pover.
Je gaat twijfelen aan jezelf.
Is er iemand
die je zelfvertrouwen weer kan opkrikken?

Of – zoals straks in het evangelie –
je hebt de hele nacht gevist
zonder iets te vangen.
Vissers bang, en vol onzekerheden.
Kan Jezus nog op hen bouwen?
Als ze Hem ontmoeten
is het net of het God zelve is die hen aanspreekt.

In eenvoudige mensen
treedt God aan het licht.
Als Hij roept en je vraagt,
vrees dan niet;
kom en ga de weg die Hij je wijst.
Vertrouw op Hem,
Hij die ook hier en nu aanwezig is,
midden onder ons.

Vergevingsmoment 1

Wellicht herkennen we ons
in de woorden van Petrus:
“Heer, ik ben een zondig mens”
en beseffen we dat we Gods ontferming nodig hebben.

Heer, wie zijn zondigheid erkent
kan bij u terecht.
Daarom bidden wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

In kleine mensen stelt Gij vertrouwen,
Gij zendt hen als mensenvissers op weg.
Vergeef ons als wij al te gemakzuchtig
andere wegen gaan.
Daarom vragen wij:
Christus, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.

Teveel mensen vallen door de mazen van het net.
Vergeef ons als wij geen netten uitgooien
om die mensen op te vangen.
Daarom bidden wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

Mogen wij de Heer op zijn woord geloven,
en ons laten opvangen in zijn net van liefde,
zodat Hij ons kan meenemen ten leven. Amen.

Vergevingsmoment 2

Zoals de eerste christenen zijn velen van ons soms bang
om een medemens een reddende hand te reiken.
Maar Jezus zegt ons:
wees niet bang, doe het.
Tot die stap komen we dikwijls niet.
Daarom vragen we om vergeving:

Heel veel mensen worstelen met levensvragen.
Zoals wij
hongeren en dorsten ze naar kennis, inzicht, levensdiepte.
Omdat wij aan hun vragen gemakkelijkheidshalve voorbijgaan:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

Soms hebben wij het gevoel dat wij overgelaten zijn aan onszelf.
We hebben nood aan vrienden,
aan een gemeenschap die ons draagt.
Als christengemeenschap schieten wij daarin vaak te kort:
Christus, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.

Wij willen wel kiezen voor onze medemensen,
willen ons inzetten voor hun welzijn.
Maar als we het gevoel krijgen
dat het maar een druppel op een hete plaat is
dan laten we het dikwijls gauw afweten.
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

Mogen wij in de woorden van Jezus kracht vinden
om onze netten opnieuw uit te gooien,
mensen op te vangen
en met hen op weg te gaan. Amen.

Lofprijzing

God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis
zodat wij Hem in de ander kunnen herkennen.
Eren wij Hem in de naaste
door elkaar lief te hebben
zoals Hij van ons houdt.
Eren wij God
door op te komen voor wie snakt
naar een vreedzaam en menswaardig bestaan.

Eren wij God,
niet alleen in de hoge,
maar vooral hier op aarde.
Loven wij God
door te zorgen voor een hemel op aarde
voor allen die Hij liefheeft.
Dan zullen wij samen kunnen zingen:
Heilig de Heer,
God en schepper van deze wereld,
en zalig alle mensen in wie Hij werkelijk leeft,
in wie Hij welbehagen schept.
Amen.

Openingsgebed

Heer, onze God, telkens weer roept Gij ons op
om de veilige oever te verlaten
en van wal te steken,
om in de volle zee van het leven
mensen die dreigen te verdrinken,
op te vangen.
Gij weet dat wij bang en onrustig worden
als Gij ons zendt
waar wij geen gebaande wegen vinden,
waar het vooraf niet zeker is
of onze inspanningen zullen renderen.
Wij bidden U om het nodige vertrouwen
zodat wij onze netten durven uitgooien
op het woord van Jezus, uw Zoon en onze broeder. Amen.

Lezingen
Luisteren we naar God die ons toespreekt in de woorden van de Schrift.

Eerste lezing (Jes., 6, 1-2a. 3-8)

Uit de profeet Jesaja.

1              In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer,
gezeten op een hoge en verheven troon.
De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel.
2        Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels.
3        Zij riepen elkaar toe:
`Heilig, heilig, heilig is de Heer van de machten;
en heel de aarde is vol van zijn heerlijkheid.’
4        De deurpinnen in de dorpels schudden van het luide geroep
en de tempel stond vol rook.
5        Ik zei:
`Wee mij! Ik ben verloren!
Ik ben een mens met onreine lippen,
ik woon onder een volk met onreine lippen
en ik heb met eigen ogen de koning, de Heer van de machten gezien!’
6        Maar één van de serafs vloog op mij af met een gloeiende kool,
die hij met een tang van het altaar had genomen,
7        hij raakte er mijn mond mee aan en sprak:
`Zie, nu dit uw lippen heeft aangeraakt,
is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt.’
8        Daarop hoorde ik de stem van de Heer:
`Wie zal Ik zenden, wie zal in onze naam gaan?’
Ik antwoordde: `Hier ben ik, zend mij.’
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing
(1 Kor., 15, 1-11)

Uit de eerste brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte.

1        Broeders en zusters,
ik wijs u nog eens op het evangelie dat ik u heb verkondigd,
dat u hebt aanvaard,
waarop u gegrondvest bent
2              en waardoor u ook gered wordt,
tenminste als u zich houdt aan de bewoordingen
waarin ik het u verkondigd heb;
anders zou u het geloof zonder nadenken hebben aanvaard.
3        In de eerste plaats heb ik u doorgegeven
wat ik zelf als overlevering heb ontvangen,
namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften,
4        en dat Hij begraven is,
en opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften;
5        en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de twaalf.
6        Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk,
van wie de meesten nog in leven zijn;
sommigen echter zijn gestorven.
7        Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen.
8        Het laatst van allen, als aan een misgeboorte,
is Hij ook verschenen aan míj.
9        Ik ben immers de minste van de apostelen,
niet waard om apostel te heten,
want ik heb de kerk van God vervolgd.
10       Maar door de genade van God ben ik wat ik ben,
en zijn genade voor mij is niet vruchteloos geweest.
Ik heb harder gewerkt dan alle anderen;
dat wil zeggen, niet ik, maar de genade van God met mij.
11       Maar zij of ik, wat maakt het uit?
Dit verkondigen wij, en dit hebt u geloofd.
KBS Willibrord 1995

Evangelie (Lc., 5, 1-11)

Uit het heilig evangelie van onze heer Jezus Christus volgens Lucas.

1        Toen Jezus aan het meer van Gennesaret stond
en de mensenmenigte zich om Hem verdrong
om het woord van God te horen,
2        zag Hij twee boten bij het meer liggen.
De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten.
3        Hij stapte in een van die boten, die van Simon,
en vroeg hem een eindje van het land af te varen.
Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht.
4        Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon:
`Vaar nu het meer op naar diep water.
Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’
5        `Meester,’ antwoordde Simon,
`de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen.
Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’
6        Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis
dat hun netten ervan scheurden.
7        Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot
om hen te komen helpen.
Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe.
8        Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei:
`Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’
9        Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen,
vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden.
10       Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs,
die met Simon samenwerkten.
Maar Jezus zei tegen Simon:
`Wees niet bang.
Voortaan zul je mensen vangen.’
11       Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter
en volgden Hem.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Belijden wij samen ons geloof
in Jezus, die ons tot kerkgemeenschap heeft omgevormd
opdat niemand door de mazen van het net verloren zou gaan.

Wij geloven in God de Vader,
die zijn schepping in onze handen heeft gegeven
om er een woning van te maken
waarin het goed is om te leven.

Wij geloven in de zoon Jezus Christus,
die bij ons kwam wonen en nu leeft
in de harten van de mensen.
Hij is ons voorbeeld van liefde tot het uiterste.

Wij geloven in Gods Geest,
die ieder van ons de kracht geeft
om aan het rijk van God mee te bouwen.

Wij geloven in een gemeenschap
waarin elkeen zorg draagt voor de ander;
waarin eenieder aan de blijde boodschap
gestalte geeft door woord en daad.

Wij geloven dat een mensenleven
nooit zal eindigen
en dat we hoopvol mogen uitzien
naar het eeuwig geluk bij de Vader.
Amen.

Voorbeden

Leggen wij bij het begin van deze tafeldienst
onze persoonlijke gebedsintenties op het altaar van de Heer
om ze samen met uw gaven en deze gaven aan de Heer aan te bieden.

– Bidden wij voor mensen
die dreigen weg te zinken in een zee van verdriet en eenzaamheid;
dat er mensenvissers opstaan die hen bevrijden en een eind met hen meegaan.
Laten wij bidden…

– Bidden we voor hen die zich, ambtshalve of als vrijwilliger,
inzetten in de kerk;
dat zij vreugde vinden in hun werk,
dat ontmoediging hun bespaard blijve,
dat zij standhouden ook als zij zich onmachtig voelen;
dat zij blijven vertrouwen in Hem die hen uitzond
om als vissers mensen op te vangen.
Laten wij bidden…

– Bidden we voor allen die het evangelie willen uitdragen in woord en daad,
dat zij medestanders ontmoeten
die hen bemoedigen en hun creativiteit stimuleren.
Laten wij bidden…

Gebed over de gaven

Heer Jezus,
in deze symbolische gaven bieden wij onszelf aan:
brood – teken van kracht en sterkte,
wijn – verwijzend naar vreugde en geluk.
Op uw woord willen wij, als mensenvissers,
anderen opvangen en nabij zijn,
en uw kracht en uw vreugde
aan hen doorgeven. Amen.

Tafelgebed

Wij danken U dat Gij een God van mensen zijt,
dat wij U mogen noemen: onze God en onze Vader,
dat onze toekomst in uw handen ligt,
dat deze wereld U ter harte gaat.
Gij hebt ons tot leven gewekt.
Gezegend zijt Gij, bron van al wat bestaat.
Daarom prijzen wij uw naam, Heer onze God,
en danken U met de woorden:

Heilig, heilig, heilig de Heer, …

Wij danken U omwille van uw veelgeliefde zoon,
die Gij geroepen en gezonden hebt
om ons te dienen en uw weg te tonen,
om aan armen uw blijde boodschap te verkondigen,
om recht te doen aan wie onrecht werd aangedaan,
om voor ons allen, het evenbeeld
en de gestalte te zijn van uw mildheid en uw trouw.

Wij danken U voor deze onvergetelijke mens,
die alles heeft volbracht wat menselijk is:
het leven en de dood.
Wij danken U dat Hij zich met hart en ziel
gegeven heeft aan deze wereld.

Want in de nacht waarin Hij werd overgeleverd,
heeft Hij het brood in zijn handen genomen.
Hij heeft zijn ogen opgeslagen
naar U, God, zijn Vader.
Hij heeft U dank gezegd, het brood gebroken
en aan zijn vrienden uitgedeeld met de woorden:
“Neem en eet, dit is mijn lichaam voor u.”

Zo nam Hij ook de beker,
sprak een dankgebed uit en zei:
“Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed,
dat voor u en allen wordt vergoten tot vergeving van zonden.
Telkens als gij van dit brood eet en uit deze beker drinkt,
zult gij dit doen tot mijn gedachtenis.”

Verkondigen wij de essentie van ons geloof:

Heer Jezus, wij verkondigen uw dood
en wij belijden tot Gij wederkeert
dat Gij verrezen zijt.

Daarom, Heer onze God,
stellen wij hier dit teken van ons geloof,
en daarom gedenken wij nu
het lijden en sterven van uw Zoon,
zijn opstanding uit de dood
en zijn intocht in uw heerlijkheid;
dat Hij, verheven aan uw rechterhand,
voor ons ten beste spreekt
en dat Hij komen zal om recht te doen
aan levenden en doden
op de dag die Gij hebt vastgesteld.

Zend ons uw Geest, die leven is, gerechtigheid en licht.
Gij, die het welzijn van de mensen wilt,
en niet hun ongeluk, niet hun dood,
neem alle geweld weg uit ons midden
en geef vrede op aarde
in naam van Jezus, uw zoon.
Dan zal uw naam geheiligd zijn,
Heer onze God,
door Hem en met Hem en in Hem
en in de gemeenschap van de Heilige Geest,
dit uur en alle dagen tot in eeuwigheid.
Amen.

Onze Vader

Richten wij ons, als broeders en zusters met elkaar verbonden,
tot onze God van Liefde met de woorden die Jezus ons heeft voorgezegd:
Onze Vader,…

Waar wij onszelf zoeken, God,
klinkt uw woord: “Gooi uw netten uit om mensen op te vangen”.
Waar uw opdracht ons zwaar valt,
zegt Gij: “Vrees niet. Ik ben met u”.
Blijf ons nabij met uw woord en uw genade
die ons tot doeners van uw boodschap maken.
Dan zullen wij vol vertrouwen mogen uitzien
naar de wederkomst van Jezus, Messias, uw Zoon.
Want van u is het koninkrijk,…

Vredeswens 1

God van liefde,
zoals een moeder haar kinderen loslaat en toch bijeenhoudt,
zo brengt ook Gij ons samen tot uw ene volk
dat Gij omgeeft met tederheid en zorgzame liefde.
Wees voelbaar in ons midden aanwezig,
overtuig ons van de zachte kracht van uw vrede
opdat wij op onze beurt
uw vrede voor elkaar voelbaar en beleefbaar zouden maken.
Die zachte kracht van Gods vrede zij altijd met u.
En wensen wij elkaar die Godsvrede van harte toe.

Vredeswens 2

Heer, maak dat wij vredestichters mogen zijn,
die eerder het goede bevestigen dan het kwade aanrekenen.
Mogen wij, daar waar we kunnen,
de eerste stap zetten om recht en verzoening te bewerken.
Geef dat volkeren ook deze stappen zetten.
Wij bidden speciaal voor vrede in het Midden Oosten, in Irak, in Centraal Afrika.
Weest Gij onze gids en ga ons voor.
De vrede van de Heer zij altijd met u.
En wensen wij elkaar die Godsvrede van harte toe.

Lam Gods

Communie

Maak ons tot mensen, Heer,
die als zusters en broeders
het brood van deze wereld delen
en elkaar, in woord en daad, tot zegen zijn.
Sterk ons door uw voorbeeld:
uw lichaam, uw leven, gebroken en gedeeld tot voedsel voor ons allen.
Heer, ik ben niet waardig…

Bezinning 1

Heb ook jij de hele week gezwoegd
– bij nacht en ontij –
met duizend en één dingen bezig?
En was ook voor jou het resultaat
weinig of niets?

En toch leeft ook in jou het verlangen
dat er méér mogelijk is dan je zelf vermoedt.

Je zit in ’t zelfde troosteloze schuitje
als die Petrus:
“hard gewerkt, niets gevangen”.

Maar heb je, net zoals diezelfde Petrus,
ook gezegd:
“Sorry Heer,
ik ben niet waard dat Gij het voor mij opneemt.
Ik dacht teveel aan mezelf,
te vlug, te radikaal dichtgeklapt,
te weinig in U geloofd.
Teveel gedacht aan ‘vissen vangen’,
te weinig aan ‘mensen opvangen’;
teveel aan ‘vissen’
te weinig aan ‘opvissen’.”

Bezinning 2

Soms benijd ik die visser Simon.
Hij stond met lege handen,
maar vertrouwde op uw woord, Jezus.
Hij durfde varen naar diepe wateren;
hij vond de kant van de boot
waar hij zijn netten moest uitgooien
om terug te komen met volle handen,
temidden van mensen.
Ach Jezus,
leer mij vertrouwen op uw woord
als mijn handen leeg voelen,
als ik bang ben te mislukken,
als ik diepgang ben verloren
en niet meer weet
welke kant te kiezen.
Bezoek dan mijn boot, Jezus,
spreek uw woord,
laat mijn vertrouwen in U groeien.
Ik zou zo graag met volle handen
in de branding van de mensenzee staan.
Ik zou zo graag,
in de alledaagsheid van gewone dingen,
uw woord,
uw richting willen voelen en bewaken met open handen.
naar Ida Guetens

Bezinning 3

Ze volgden hem, zijn stem, zijn woorden,
sinds Hij verscheen in hun bestaan
en zij Hem zomaar zeggen hoorden
de volle zee weer op te gaan.

Ze volgden Hem, ondersteboven
van wat ze daar toen zouden zien:
een wondervangst niet te geloven,
geweldiger dan ooit voordien.

Die dag is nooit meer uit te wissen,
ze blijven zien wat daar gebeurt:
de overslaande golf van vissen
een boot die zinkt, een net dat scheurt.

Hij zegt: ze zullen mensen vangen,
en God zal weten hoe dat moet
en of dat is wat zij verlangen
en dat gelukkig maakt voorgoed.

Zij volgen Hem, Hij moet maar wijzen
waarheen, en wat de reden is,
uiteindelijk, van al hun reizen:
Hijzelf, de allergrootste vis.
Uit: De man van Nazareth, door Michel van der Plas

Slotgebed 1

God onze Vader,
sta ons bij om voor elkaar te worden
wat de leerlingen van uw Zoon mochten zijn:
vissers en redders van mensen.
Moge ons spreken en doen
warmte en licht, moed en verlichting betekenen
en mensen uitnodigen tot gemeenschap.
Dan zal uw koninkrijk onder ons
gestalte krijgen;
dan zal uw droom over de mens
werkelijkheid worden. Amen.

Slotgebed 2

Net zoals Jezus het vroeg aan Simon Petrus
zo wil Ik het ook aan jou vragen – zegt God:
dat je samen met Mij naar het diepe vaart
om mijn droom voor de wereld en voor de mensen die er wonen
in de stilte te ontdekken.
Ik hoop dat je het enthousiasme vindt
om op mijn woord de netten uit te gooien
en met heel je hart
‘leerling’ te worden,
bereid om alles achter te laten
omdat je in je binnenste
een parel hebt ontdekt
die niemand je kan afnemen:
mijn vriendschap en tedere liefde. Amen.
Erwin Roosen

Slotgebed 3

Laat Jezus in de boot van mijn leven stappen, Heer,
en mij uitnodigen om samen met Hem in zee te gaan
en naar het diepe te varen.
En als Hij mij dan vraagt de netten nog één keer uit te gooien,
geef mij dan de durf mij helemaal
aan Hem toe te vertrouwen
zodat ik kan ervaren dat het wonder van mijn leven
in uw liefde ligt.
Neem alle angst van me weg
en laat me in Jezus’ naam
mensen opvangen in een net van vriendschap en solidariteit.
Erwin Roosen

Zending en zegen

“Mensenvissers zul je worden” zegt Jezus tot zijn vrienden.
Naar het woord en het voorbeeld van Jezus
moeten ook wij weldoend rondgaan:
zieken genezen,
voedsel geven aan wie hongeren naar gerechtigheid,
lam geslagenen weer leren lopen,
en wie gevangen zitten in zichzelf, bevrijden.
Daartoe zegene ons
+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.