5e zondag door het jaar B 2018 p

4 febr 2018        (Viering)

Jezus met zichzelf in de knoop
(Mc. 1,29-39)

Jezus geneest de schoonmoeder van zijn vriend Simon-Petrus, en diezelfde avond verlost Hij nog vele zieken van kwalen allerhande…
Zieken nabij zijn, helende zorg voor mensen in de knel, hun de hand reiken, hen doen opstaan, doen verrijzen zodat ze weer kunnen hopen en dromen van een nieuwe toekomst… het is bij uitstek gestalte geven aan ‘de Goede Boodschap doen’. Stof genoeg voor een passende homilie. Als predikant van dienst kun je het slechter treffen.
Dat dacht ik dus ook in eerste instantie. Maar toen  ik onze evangelietekst nog eens rustig herlas, bekroop mij het vreemde gevoel dat, zolang ik gefocust bleef op het thema ‘ziekenzorg’, de pointe van dit verhaal mij ontging. Om duidelijk te maken wat ik bedoel, wil ik ons evangelieverhaal nog eens overlopen.

Het begint eenvoudig. Het is sabbat. Bij het buitenkomen uit de synagoge nodigen de broers Petrus en Andreas hun vrienden uit voor een aperi­tiefje bij hen thuis. Petrus’ schoonmoeder, die blijkbaar bij hem inwoont, ligt met griep te bed. Jezus loopt even de zieken­kamer bin­nen, pakt de vrouw bij de hand… en ze voelt zich genezen. Ze dringt er op aan  dat het gezel­schap blijft eten.
Het nieuws over die plotse genezing gaat als een lopend vuurtje Kafarnaüm rond. Iedereen wil er het fijne van weten. Maar het is sabbat. En dus – zo schrijft de joodse wet nu eenmaal voor – kan men pas na zonsondergang de deur uit. Die avond is het bij het huis van Petrus een drukte van be­lang, zeker met al die draagberries. Want ook de zieken willen er bij zijn. Je weet immers nooit…
En dan zegt onze tekst: “Hij genas vele zieken van allerlei kwalen”. ‘Vele’… Waarom genas Hij ze niet allemaal? Misschien omdat ze met zovelen waren dat Jezus vanwege het late uur die avond niet rond geraakte. En was dat de reden waarom het de volgende ochtend, heel vroeg al, weer volle bak was.
Maar – heel vreemd – Jezus verschijnt niet op het appèl! In het holst van de nacht is Hij er in zijn eentje vanonder gemuisd. Met die samenscholing voor de deur krijgen Petrus en zijn vrienden het op hun heupen, en ze gaan Jezus zoeken. [‘Zoeken’ is zacht uitgedrukt. In het Grieks staat er katadioko, dat betekent ‘iemand achterna zitten’ zoals de politie een misdadiger achterna zit.] En als ze Hem eindelijk gevonden hebben… weigert Hij met hen terug te gaan. En zegt Hij tegen zijn verbouwereerde leerlingen: “Laten we ergens anders heen gaan, naar een dorp in de buurt. Ik ga daar prediken. Want dat is de reden waarom ben ik wegge­gaan”.
Jezus wil dus niet meer genezen! En dat terwijl er nog zoveel zieken al hun hoop op Hem hebben gesteld. Wat is er hier met Hem aan de hand?

Het deed me terugdenken aan een gesprek met een missiezuster toen ik de eerste keer in Congo was. In een groot dorp had zij met enkele medezusters een ziekenhuisje opgestart. In die tijd hadden de missies nog geen echt tekort aan medicamenten, en met antibiotica werden de meeste patiënten snel beter. Maar elke morgen opnieuw stonden er lange rijen wach­tenden voor de deur, nieuwe zieken die soms tientallen kilometers door de brousse hadden gelopen. Die stroom bleef maar aanhouden, dag na dag. Zozeer dat de zusters zich begonnen af te vragen of hun oplapgeneeskunde veel zin had. Het is uitzichtloos als je de oorzaak van de ziekten niet aanpakt: gebrek aan hygiëne en eenzij­dige voeding. Preventie is dus nodig. Maar hoe moet dat als er te weinig perso­neel is om én het ziekenhuis draaiende te houden, én om diep in de brousse de mensen andere eetpatronen en zin voor hygiëne bij te brengen? Een dilemma dat binnen de kloostergemeenschap aanleiding had gege­ven tot vinnige  discus­sies, tot conflicten toe.

Ik vermoed dat Jezus met een soortgelijk probleem in z’n maag zat.  Die nacht was Hij in zijn eentje gaan bidden. Wat er toen door zijn hoofd ging, zullen we nooit met zekerheid weten. Marcus situeert dit voorval helemaal in het begin van Jezus’ openbaar leven. Zou het niet kunnen dat Hij de eenzaam­heid heeft opgezocht om wat afstand te nemen, om een en ander op een rijtje te zetten, dat Hij biddend een antwoord zocht op een gewetensvraag die Hem kwel­de?
Wat voor zin heeft het – moet Hij gedacht hebben – dat Ik tot in de nachtelijke uurtjes zieken sta te genezen? Natuurlijk is dat een manier om de Boodschap van Heil die mijn Vader Mij heeft toevertrouwd, uit te dragen. Maar de mensen blijken niet te snappen waar­om Ik dat doe. Ze staren zich blind op het wonder. Het heeft voor hen geen andere consequen­tie dan ‘dank u wel’ en ‘ap­plaus’. En mijn leerlingen hebben het evenmin door: dat ap­plaus laat hen niet onverschil­lig, en dus jutten ze Me op om verder te doen. Ze ruiken succes.
Neen – moet Jezus gedacht hebben – zó zieken genezen, dat is gezondheidscadeautjes uitdelen, dat is oplapgeneeskunde zonder dat er iets wezenlijks verandert. Dat brengt geen aarde aan de dijk van het Rijk Gods. De mensen zien niet in dat ze van menta­li­teit moeten veran­deren. Ik moet begin­nen met Gods Bood­schap te verkondi­gen, de mensen uit te leg­gen waar het Mij en mijn Vader om te doen is. En pas daarna zal Ik hen genezen. Dan zullen ze be­grij­pen dat Ik genees opdat zij op hun beurt elkaar zouden genezen. Ik wil hen van hun indivi­dua­lisme af helpen zodat ze kunnen uit­groeien tot een gemeen­schap van gezon­de mensen die elkaar de hand rei­ken, elkaar doen op­staan, doen verrijzen zodat ieder­een weer kan hopen en dromen van een nieuwe toe­komst. Ja, zo heeft mijn Vader zijn Rijk op aarde bedoeld.

“Laten we dus ergens anders heen gaan, naar een dorp in de buurt. Daar begin Ik opnieuw. Daar begin Ik met verkondiging.”
Marc Christiaens o.p.

Download PDF
Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.