5e zondag door het jaar A 20147

9 febr. 2014  (Viering)
Jullie zijn als zout en als licht
(Mt. 5,13-16 ; 1 Kor.2,1-5)
Het evangelie is een levensboodschap die ons leven en ons samenleven positief wil beïnvloeden. In zijn Bergrede legt Mattheüs van meet af aan de nadruk op die sociale dimensie van de Jezusboodschap. Vorige week hoorden wij het heel nadrukkelijk: “Proficiat, jullie die hongeren naar gerechtigheid; proficiat, jullie die zich voor de vrede inzetten, …”. Gelukwensen aan idealistische  minderheden die door de plakzwaaiers in de samenleving en in de wereldpolitiek doorgaans schouderophalend genegeerd worden.
Jezus legt zich bij die gangbare hiërarchie van waarden niet neer. Tegendraads als Hij is, gelooft Hij in mensen die durven roeien tegen de stroom in. In Hem kiest God de zijde van verliezers. Trouwens de grootste verliezer was Jezus zelf, toen Hij op een kruis eindigde. En juist daaruit put iemand als Paulus de dwaze moed – zo hoorden we in onze eerste lezing – om zwak, bang en onzeker naar Korinthe te reizen om daar die Jezus te gaan verkondigen. God zoekt geen religieuze virtuozen, wel mensen die niet op veilig spelen, die het risico van te verliezen aandurven.
Bijna uitdagend zegt Jezus tot hen: “Jullie zijn het zout van de aarde”.
 
Zout van de aarde
Zout is in iedere keuken aanwezig. Het is bederfwerend. Het is zuiverend – denk aan wijnvlekken op het tafellaken. Het heeft ook iets prikkelends. Zout respecteert de eigen smaak van de spijzen, maar maakt die smaak expressiever, pregnanter. Het doet zijn werk maar valt daarbij niet op. Je denkt er pas aan als het er niet is, als het eten flauw smaakt, zonder pit.
Zo moeten Jezus’ leerlingen ook doen: anderen aanwakkeren, het goede in hen prikkelen. Door in hun leven aan het evangelie vorm en gestalte te geven, zullen zij anderen inspireren. Om ‘zout van de aarde’ te zijn hoeft een mens geen grootse dingen te doen: een consequente beleving van het waardenpatroon dat het evangelie aanreikt, is pikant genoeg. Leven en spreken vanuit die Jezusverbondenheid volstaat om de wereld te intrigeren.
Christenen moeten dus niet de pretentie hebben anderen te willen beleren, hun voor te schrijven hoe ze moeten leven. Christenen zijn geen betweters, laat staan alweters, ook niet inzake godsdienst en moraal. Het zijn zoekers, net als alle mensen van goede wil. Zij hebben geen pasklare oplossing achter de hand voor duizend en één dagelijkse levensproblemen. Ook christenen mogen aarzelen en twijfelen. En bij tijd en wijle zullen ook zij moeten toegeven dat ze het niet weten.
Wat hebben christenen dan meer, of wat maakt hen anders dan die andere zoekers en (nog) niet weters? Onze God die zich in Jezus openbaarde, reikt geen antwoorden op een presenteerblaadje aan, wel perspectieven waarbinnen antwoorden op de levensvragen van deze tijd dienen gezocht te worden. Het evangelie zet richtingwijzers uit, reikt zoekers naar waarheid en naar zin oriëntatie aan.

Licht van de wereld
Een christen in de volle betekenis van het woord, is ervan overtuigd dat hij met dat evangelie een betrouwbaar kompas in handen heeft. En voor die overtuiging mag hij  vrank en vrij uitkomen. Of beter: zijn christen-zijn dient te blijken uit zijn daden en uit zijn inzet voor wat goed is. De enige echte christen is de christen metterdaad. Met naam-christenen is niemand  gebaat.
Daartoe roept Jezus ons op als Hij zegt: “Jullie zijn het licht van de wereld. Laat jullie licht schijnen voor de mensen”. Maak dat de wereld de Blijde Boodschap kan zien. Ons geloof moet aanstekelijk zijn.
Dat is geen pleidooi voor zieltjesjagerij: geen bekeringsijver, wel getuigenisijver. En dat kan best samengaan met religieuze verdraagzaamheid.  Verdraagzaamheid sluit immers verkondiging niet uit. Geloven is gehoor geven aan het woord van God. Geloof moet dus gehoord kunnen worden. Dat veronderstelt dus verkondiging, onder welke vorm dan ook. Maar woordverkondiging is niet erg geloofwaardig zonder praxis, zonder liefdesdaden en zonder het voorbeeld van een liefdesgemeenschap. Woorden wekken, voorbeelden trekken. Meestal is de volgorde omgekeerd: eerst geloofspraktijk, die dan nader ‘toegelicht’ wordt; het levend voorbeeld vraagt om een verklarend onderschrift. Vanuit het leven moet er verkondigd worden: spreken ‘over’ Jezus, maar wellicht nog meer: spreken ‘zoals’ Jezus.
De geloofsverkondiging in woord en daad heeft in deze wereld een ‘licht-functie’. Hoe het met onze wereld is gesteld vond ik schitterend verwoord door kardinaal Danneels in een interview (Tertio, 22.12.04). Op de wat rare vraag: ”Kunt u onze cultuur in één woord typeren?” antwoordde hij: “Automatisch komt het woord ‘paradoxaal’ in me op. In onze cultuur is het ene waar, maar het tegengestelde ook. Er is een groot verlangen naar gemeenschap, maar de mensen zijn heel alleen. Feitelijk zijn we pragmatisch materialistisch, maar aan de andere kant is er een grote vraag naar zingeving. De huidige discussie over normen en waarden was vijf of tien jaar geleden gewoon ondenkbaar. We zijn voortdurend bezig met empirische gegevens en materieel welzijn, en toch leven er een aantal vragen naar diepte die komen bovendrijven in individuele gesprekken. Onze tijd is gelaïciseerd, want bezig met tastbare dingen, maar anderzijds tot in het bijgelovige toe religieus; er is nog nooit zoveel over religie en religiositeit gepraat als nu. Alles staat op losse schroeven, wat niet wil zeggen dat de mensen daarmee gelukkig zijn. Er is opnieuw vraag naar referentiekaders. Dat is nieuw.”  
Wij, christenen, hébben een referentiekader. Dat moeten wij aanbieden aan onze cultuur van vandaag, zegt Jezus: “Laat je licht schijnen voor de mensen, zet het op de kandelaar, dan schijnt het voor allen in huis.” Ik weet wel, dat is niet zo evident als op het eerste gezicht lijkt. Ons getuigenis zal op het publieke forum aanbotsen tegen de muur van vooroordelen inzake geloof, moraal en Kerk. Om die weerstand te doorbreken hebben we maar één wapen: de kracht van de waarachtigheid van ons getuigenis in zijn en doen en woord. Om dat wapen adequaat te hanteren zullen we geduldig en kritisch moeten luisteren naar wat er in onze samenleving leeft aan vragen en behoeften, zullen we moedig en krachtig vormen van onrecht en onvrijheid moeten ontmaskeren, aanklagen en bevechten. Christenen kunnen niet gezapig Gods water over Gods akker laten lopen. Zout zijn is zuiveren, is prikkelen. Licht zijn is voor onze medemensen duisternis verdrijven.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.