5e Paaszondag C 2022 p

Zoals Ik jullie heb liefgehad [Jo. 13,31-35]

Tegen vlammende liefdesverklarin­gen koester ik enige achter­docht. ‘Ik hou van jou’ kan zoveel betekenen… en misschien nog meer niet betekenen. En dus ben ik eens gaan kijken in de dikke ‘Van Dale’.  ‘Liefde’ wordt er omschre­ven als “warme genegenheid voor, gehechtheid aan een persoon of aan een zaak”. Vager of algemener kan het nauwelijks. Dat ‘liefde’ een gevoelskwestie is, maakt het er niet een­voudiger op: gevoelens laten zich niet commanderen: je hebt ze of je hebt ze niet – ze kunnen je plots overvallen, ze kunnen weer wegeb­ben, ze scheppen verwachtingen die wel of niet beantwoord worden. ‘Ik heb je lief’ zegt alles en tegelijk niets. Zonder een hartelijk woordje toelichting – ‘hartelijk’ in meerdere beteke­nissen van het woord – zit de mogelijkheid van misverstanden er als het ware ingebakken. Vandaar mijn achter­docht. Maar dat zal wel aan mijn kouwe-kikker-mentali­teit liggen.

Centraal in onze evangelielezing staat ook een soort liefdes­verklaring: “Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt”. Een gebod. Een kwestie van ‘moeten’ dus. De liefde-volgens-de-dikke-Van-Dale laat zich niet ­bevelen, zei ik daarnet. Daarmee is tegelijk gezegd dat Jezus hier iets anders bedoelt dan ‘warme genegenheid voor iemand’. Voor Hem is liefde (a) iets dat je te doen hebt, een werkwoord, iets waar je werk van moet maken; en (b) iets dat niet gedragen wordt door sympathie, niet selec­tief is, maar zich richt tot de hele groep: “Jullie moeten elkaar liefhebben”, zegt Hij tegen zijn volgelingen. ‘Naastenliefde’ noemen we dat veelal. Om het doe-karakter ervan wat duide­lijker in de verf te zetten, kunnen we ook van ‘daad­werke­lijke onder­linge solidari­teit’ spreken, het cement van chris­telijke gemeen­schaps­opbouw.

Jezus zegt niet alleen dat die solidariteit geboden is; Hij zegt dat Hij ons daarmee een ‘nieuw’ gebod geeft. Wat is daar nieuw aan?
Jezus heeft het vaak over naastenliefde gehad. Zo zei Hij bijvoorbeeld: “Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen” (Mt.7,12; Lc.6,31), een parafrase van het oude, welbeken­de joodse gebod “Bemin uw naaste als uzelf” (Lev. 19,18).
Het joodse gebod van de naastenliefde verplichtte tot solidariteit met de eigen volksgeno­ten. Zoals u weet – we hoorden het ook nog vorige week, zij het in een heel andere context – was Jezus allergisch voor al wat zweemt naar ‘eigen volk eerst’. Met zijn beroemde parabel van de ‘Barmhartige Samaritaan’ (Lc. 10,25-37) brak Hij de joods-selectieve naastenliefde open tot universele zuster- en broederschap, tot solidariteit met allen zonder onderscheid, maar wel met een voorkeuroptie voor de zwaksten. Voor Hem is dat de morele consequentie van de gelijkwaardigheid van alle mensen, omdat ze allen kinderen zijn van dezelf­de Vader – Zijn Vader.

Wat we Jezus vandaag in de evangelielezing horen zeggen, voegt aan deze specifiek christelijke vernieuwing van de joodse naasten­liefde, nog een tweede dimensie toe: “Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben.” Hij leert zijn volgelingen hoé zij aan die universele zuster- en broederschap inhoud moeten geven: “Doe het zoals Ik het deed.”
Om zicht te krijgen op de volle draagwijdte hiervan is het nodig te weten in welke context Jezus die uitspraak deed.
Het was op Witte Donderdag. Jezus heeft zijn leerlin­gen de voeten gewassen, en daaraan de conclusie verbonden: “Als Ik, jullie Heer en Meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie elkaar ook de voeten te wassen. Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan.” (Jo.13,14-15). Even later staat Judas op en verdwijnt om Jezus te gaan uitleveren (13,21-30). Beseffend wat er de komende uren te gebeuren staat, spreekt Jezus zijn afscheidswoord waarin Hij zijn leerlingen vraagt om voort te zetten en door te geven wat Hem het meest ter harte ging. De evangelietekst van vandaag is het begin van die afscheidsrede: “Als jullie echt mijn leerlingen willen zijn dan moeten jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie liefhad en doen wat Ik jullie heb voorgedaan”. Onderlinge zuster- en broeder­schap ge­ïnspireerd door Jezus’ voorbeeld, houdt dus in: elkaar dienstbaar zijn, elkaar de voeten wassen, je leven geven voor elkaar (15,12-13).

Is dat een nieuw gebod? Heeft nog nooit iemand vóór Jezus hetzelfde ge­daan? Ik zou het niet weten. Maar dat is ook niet echt de vraag. Het is nieuw omdat Jezus’ voorbeeld van grenzeloze dienstbaarheid ons altijd weer opnieuw appelleert, ons altijd weer opnieuw oproept om grenzen te verleggen. Spontaan doen we dat niet. Er zijn van die momenten waarop een mens zegt: nu is het welletjes geweest, ik heb gedaan wat ik kon, dit is de grens, men kan van mij niet het onmogelijke eisen. Maar kijken we dan naar Jezus, vergelijken wij onze manier van liefhebben met de zijne, dan zullen we steeds opnieuw moeten vaststellen dat Hij de grenzen van ons liefhebben wil doorbreken en verleggen. In die zin blijft dit gebod altijd weer opnieuw nieuw.

Tenslotte zegt Jezus: “Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren”. Met andere woorden: niet wij hebben te oordelen over de kwaliteit van ons christen-zijn; dat komt toe aan de anderen. Het criterium is niet: vinden wij van onszelf dat wij het goed doen, maar wel: kunnen anderen aan ons zien dat wij Jezusvolgelingen zijn aan de manier waarop wij gestalte geven aan die niet-selectieve, ongelimi­teerde broeder­lijke en zusterlijke dienstbaarheid? Zijn wij van niet-volgelin­gen te onderscheiden op grond van de intensiteit van onze inzet voor en onze verbondenheid met anderen, een inzet die niemand uitsluit en prioriteit geeft aan de zwaksten? Want dat staat er dus in onze evangelietekst.
De moeite waard, dacht ik, om daarover eens gewetensvol na te denken.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.