4e zondag van de vasten B 2015 p

15 maart 2015  (Viering)

Omhooggeheven als de slang
(Jo. 3,14-21)

Dat het tussen Jezus en de Farizeeën lang geen koek en ei was, weten we zo stilaan wel. Maar misschien moeten we dat toch een beetje nuanceren en niet alle Farizeeën over dezelfde kam scheren.
De evangelist Johannes weet ons te vertellen dat er onder hen minstens één dissident was: Nikodemus. Niet zomaar de eerste de beste (3,1) want hij was lid van het Sanhedrin, de joodse Hoge Raad (7,50). Wel­licht had ook hij de draagwijdte van wat Jezus allemaal vertelde niet altijd begrepen, maar het had hem wel aan het denken gezet. Genoeg om zijn voelho­rens uit te steken in plaats van Jezus boudweg te verkette­ren. Buiten medeweten van zijn colle­ga’s neemt hij met Jezus contact op en het komt tot een af­spraak: ‘s nachts, onder vier ogen.

Over de inhoud van dat gesprek onder vier ogen weet onze evangelist uiteraard niets; hij weet enkel dat het heeft plaats gevonden. Hij grijpt dat gesprek aan om zijn kerk­ge­meen­schap wat ge­loofsin­zicht bij te brengen. In een fictieve dialoog met Jezus voert hij Nikode­mus op als aangever, als vragenstel­ler. Maar de rol van Nikodemus is snel uitge­speeld: de dialoog gaat over in een monoloog waarin de evangelist Jezus over zichzelf aan het woord laat. Het is die monoloog die ik daarnet heb voor­ge­le­zen. Een moei­lijke passage die heel wat toelichting vergt, wat niet kan binnen het korte bestek van deze homilie. Ik beperk mij tot het begin en het einde van onze tekst.

Die monoloog begint vreemd: “Evenals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensen­zoon om­hoog worden geheven”.
Een farizeeër zoals Nikodemus snapt de allusie onmiddellijk; voor ons is dat niet zo evident. Jezus ver­wijst naar een gebeuren toen de joden, ont­snapt uit de slaver­nij in Egypte, rondzwierven in de woestijn (Num. 21,4-9). Op een bepaald ogenblik werd hun tentenkamp overval­len door een kolonie giftige slangen. Er vielen nogal wat doden te betreu­ren. Mozes bad God om hulp en kreeg te horen: ‘Maak een kope­ren slang en beves­tig die hoog op een paal; al wie gebeten is en naar die koperen slang opkijkt, zal in leven blij­ven.’ Zoals die slang zal dus ook de Mensenzoon omhoogge­he­ven worden aan het kruis zodat wie in Hem gelooft, uitzicht krijgt op eeuwig leven.

Een parallel tussen de Mensenzoon en een slang…?? Dat klinkt raar in onze oren, misschien zelfs een tikkeltje ongepast. Vergeet dan niet dat deze beeld­spraak zijn wortels heeft in een ver achter ons liggende cultuur waar de slang symbool stond voor eeuwig leven: ze werpt geregeld haar oude huid af en zet, verjongd met een nieuwe huid, haar le­vensweg ver­der.

Onze evangelist Johannes zou Johannes niet zijn als deze beeldspraak geen dubbele bodem had. Niet alleen werd Jezus, zoals de koperen slang, omhoog­geheven aan het kruis; maar de gekruisigde Chris­tus werd ook door de Vader verheven en verheer­lijkt over de dood heen, in de verrijzenis en de hemelvaart. Die drie momen­ten – kruis, verrijzenis, hemelvaart – vormen voor deze evangelist één niet te scheiden geheel. Voor hem is het kruis geen symbool van de dood, maar van het tegendeel: het kruis staat in zijn verkondiging symbool voor leven dat sterker is dan de dood. Zoals des­tijds de slachtoffers van giftige slan­gen in leven bleven als zij opkeken naar de kope­ren slang op de paal, zo krijgt ook, wie gelovig opkijkt naar het kruis, uitzicht op eeuwig leven.

Bij het voorlezen van het evangelie daarnet heb ik de tekst een klein beetje naar mijn hand gezet. Er staat: “wie gelooft in Hem bezit eeuwig leven” (3,15). Ik heb ervan gemaakt: “wie gelooft in Hem krijgt uitzicht op eeuwig leven“. Ik denk dat die kleine aanpassing duidelijker weergeeft wat bedoeld wordt. ‘Wie gelooft bezit eeuwig leven’ zou je verkeerdelijk kunnen verstaan als: ‘geloof’ en ‘eeuwig leven’ zijn rechtstreeks aan elkaar gel­inkt; geloof-op-zich garandeert eeuwig le­ven. Dat is dus niet zo. Geloven in Jezus opent wel per­spec­tief op eeuwig leven, maar aan het daadwerke­lijk ver­werven ervan – zo voegt Johannes op het einde van de monoloog eraan toe – is nog wel een voor­waar­de verbon­den: je moet namelijk “de waar­heid doen” (v. 21).

Vanuit onze catechismuslessen in de lagere school, denken wij bij het woord ‘waarheid’ al te gemakkelijk aan geloofswaarhe­den, aan leerstellingen die wij voor waar hebben aan te ne­men ook als ons armzalig mensen­ver­stand ze niet kan vat­ten. Laat het voor eens en altijd gezegd zijn: dat is niet de beteke­nis van het evangelische woord ‘waar­heid’. Als Jezus zegt: “Ik ben de Weg, de Waar­heid en het Leven” (Jo. 14,6), dan roept Hij ons op om ‘zijn weg te gaan’, ‘zijn waarheid te doen’, ‘ons leven op het zijne af te stem­men’. Drie uitdruk­kin­gen die exact hetzelfde betekenen.

‘De waarheid doen’, heeft niets met weten, met intellect of met ‘voor waar aannemen’ te maken, maar is de evidente consequen­tie van een erva­ring. Naarmate we ons ervan bewust worden dat God in Jezus heeft getoond wat mensen voor elkaar kunnen betekenen, naarma­te we van die waarheid door­drongen zijn, wordt het voor ons vanzelf­sprekend dat we in ons leven de weg moeten gaan die Jezus ons is voorgegaan. [Of we dat ook daadwerke­lijk doen, is een ander paar mouwen.] Door onze manier van leven af te stemmen op die van Jezus, geven wij aan anderen door, leggen wij getui­genis af van de waarheid dat Jezus leeft. Dat Jezus nú leeft. Het is dié waarheid over Jezus die ons leven zo waarde­vol maakt dat het over de dood heen kan worden getild. Geloof dat ook gedaan wordt, verlost ons en anderen, redt ons en anderen, garandeert leven in eeuwig­heid.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.