4e zondag van de vasten A 2014

 30 maart 2014 (Viering)

Over blinden die zien en zienden die blind zijn
  (Jo. 9, 1.6-9.13-17.34-38 )

Stilistisch is er met wonderverhalen iets vreemds aan de hand. Enerzijds worden ze opgefleurd met een hele­boel de­tails – Jezus maakte slijk met speeksel, de man moest zich gaan wassen in het Siloambad, het voorval gebeurde toevallig op een sabbat. Maar wat de hoofdpersoon betreft, blijven won­derverhalen opvallend vaag: ‘een’ melaatse, ‘een’ lam­me – en hier – ‘een’ man die al vanaf zijn geboorte blind was. Alsof de identiteit van degene om wie het allemaal draait, niet het vermelden waard is. Die anoni­miteit steekt schril af tegen het gedetailleerde ‘toen en daar en zus en zo’.

Dat is geen slordigheid van onze evangelisten. Daar zit een bedoeling achter.
Je mag wonderverhalen niet lezen zoals je de krant leest. Van een journalistiek verslag mag je verwachten wat, waarom en hoe iets gebeurd is, en wie daar allemaal bij betrokken was. Dat geldt niet voor een wonderver­haal. Twee dingen mag je immers nooit uit het oog verliezen:
1. Onze evangelies werden niet geschreven in Jezus’ tijd, maar zo wat 50 jaar of meer na diens dood en verrijzenis. En die verrijzenis kleurt de bril waarmee een evangelist terugkijkt naar wat er destijds gebeurd is.
2. Een evangelist is niet geïnteresseerd in de identiteit van de blinde, de melaatse, de bezetene en de lamme over wie hij vertelt, maar in degene tot wie hij zich richt, aan wie hij zijn verhaal vertelt. Het gaat een evangelist niet om die blinde maar om zijn geloofsgemeenschap aan wie hij zijn boodschap wil overbrengen  – en in het verlengde daarvan: aan de geloofsge­meen­schap van nu, aan ons dus. Het verhaal dat hij vertelt is een voorbeeld-verhaal; hij houdt een spiegel voor: net als de lamme, de melaatse of, in ons geval de blindgeborene, dolen ook wij rond in halve of hele duisternis, hebben ook wij behoefte aan verlossing en bevrijding, aan zicht en inzicht. En met een anonieme hoofdpersoon kan een lezer of toehoorder zich nu eenmaal makkelijker identifice­ren dan met een concreet gezicht.
Johannes benadrukt die parallel tussen ons en de blindgeborene door in zijn verhaal het woordje ‘zien’ in zijn dubbele betekenis te gebruiken: hij verschuift van het letterlijke ‘kunnen kijken’ naar de figuurlijke betekenis van zien: ‘inzien’.
* * *
Jezus loopt toevallig een blindgeborene tegen het lijf. Hij strijkt slijk op diens ogen en zegt dat hij zich moet gaan wassen in het Siloambad. Johannes voegt er onmiddellijk aan toe dat ‘Siloam’ ‘gezondene’ betekent en geeft daarmee aan dat ‘zich wassen in het Siloambad’ voor hem de bijbete­kenis heeft van ‘zich onderdompelen in de Gezonde­ne’, m.a.w. zich aan Jezus toevertrouwen, zich in Jezus – zeg maar – laten ‘dopen’. Gevolg van die wasbeurt – van die doop dus -: de man krijgt niet alleen zicht op maar ook inzicht in wie Jezus is. Hij ziet in dat Jezus een pro­feet is en erkent Hem als Mensenzoon.

Nog een paar niet onbelangrijke elementen in dit verhaal:
1. Die man heeft niet gevraagd om genezen te worden. Gods genezende genade komt ongevraagd naar hem toe.
2. Maar om die gratuite genade effectief te laten zijn, moet de blinde er wat voor doen: zich gaan wassen in het Siloambad, zich overgeven aan de Gezondene Gods.
3. Zodra de man ziet, en vooral zodra de man inziet wie hem ter hulp is gekomen, geraakt hij in de problemen. Hij mag in zijn eentje – want Jezus is uit beeld verdwenen – opboksen tegen ongeloof van buren en omstanders, en tegen verkettering door de gevestigde kerkelijke instanties.
4. Door die tegenkanting laat de man zich niet uit het lood, zich niet uit zijn geloof slaan. Daarom wordt hij later door Jezus, als Die onver­wacht opnieuw zijn pad kruist, met open armen ontvangen.

Dié man dus wordt ons tot voorbeeld gesteld. In de perikelen waar hij zich doorheen moet worstelen, kunnen wij de kronkelwegen herkennen waarlangs wij tot God kunnen komen en God tot ons.
* * *
Tegenover de blinde die tot inzicht komt, plaatst de evangelist tegenspelers die ziende blind zijn, die getuige zijn van een wonder, maar niet tot inzicht komen. Johannes voert hen ten tonele als ‘negatieve voorbeel­den’: wie zich in een van die tegenspelers herkent, zit op het verkeerde spoor, is de boodschap. Die moet dringend het roer omgooi­en.

Wie zijn die tegenspelers die tonen hoe het niet moet?
Allereerst de doorsnee burger uit het verhaal: buren en omstanders. Zij zijn slechts geïnte­resseerd in het nieuws van de dag: heeft Jezus aan die blindgeborene nu wel of geen wonder gedaan? M.a.w. is die Jezus een charlatan die naïevelingen om de tuin leidt, of iemand die je toch maar beter te vriend kunt houden. Baat het niet dan schaadt het niet.
Sommige omstanders van nu, ook al beschouwen zij zichzelf als goede gelovigen, reageren op dezelfde manier als de omstanders van toen. Ze benaderen wonder­verhalen als een kranten­bericht, niet als een evan­gelieboodschap. Ze lezen ze zoals een feitenrelaas in de krant: staat daar dat mijnheer X dit of dat overkomen is, dan zal dat ook zo zijn want je mag er van uitgaan dat de journalist vooraf alles grondig gecheckt heeft. Staat er in een evangelie dat Jezus een blindgeborene deed zien, dan is dat wonder voor hen een feit. Waarom zou een evangelist daarover liegen? Hun geloof is een soort ‘feitengeloof’ dat niet doorstoot tot het niveau waar het de evangelist om te doen is: voor hem is het verhaal een middel om de lezer gelovig inzicht bij te brengen. Jezus doet de man zien, niet zomaar, maar om hem te doen inzien.

De tweede groep tegenspelers van de blindgeborene zijn de Farizeeën. Zij beschouwen zichzelf als deskundigen inzake geloof en moraal, en maken hun persoonlijke overtui­ging tot criterium om anderen te beoordelen en vooral te veroor­de­len: Mozes heeft ons geleerd dat men de sabbatrust moet onder­houden; Jezus houdt zich daar niet aan, Jezus kan dus geen pro­feet zijn, geen man van Godswege. Wie zich niet aan regels en dogma’s houdt, deugt niet.
Dit is fundamentalistische logica. Voor iets waardevols dat de platgetreden paden van de traditie niet volgt, is funda­mentalisme blind. Zo’n houding is niet alleen typisch voor de Farizeeën van toen, niet typisch voor bepaalde islamitische milieus op vandaag; je vindt het evenzeer binnen onze eigen Kerk. Christe­nen die mede­christenen boutweg veroor­delen omdat ze zich niet strikt houden aan bepaalde kerkelij­ke voorschriften. Die blind zijn voor de evangeli­sche bood­schap dat Gods Geest waait waar Hij wil en daarbij niet noodzakelijk de hiërarchi­sche wegen van boven naar bene­den volgt. Christenen die niet zien dat er ook in ons midden profetische mensen leven, ook al worden ze door de goegemeente of het kerkelijk gezag verketterd met een variante van het simplisti­sche argu­ment waarmee de Farizeeën Jezus destijds verketterden: “Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet”.
Marc Christiaens o.p.

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.