4e zondag van de advent B 2014

21 dec. 2014 (Viering)

De boodschap aan Maria  (2 Sam., 7, 1-5, 8b-11, 16;  Lc., 1, 26-38)

Om ons evangelieverhaal over de boodschap aan Maria te kunnen snappen, moet je weten wat er van Jezus op latere leeftijd is geworden. Dit verhaal werd immers niet geschreven door iemand die toevallig bij Maria op bezoek was toen de engel Gabriël daar binnenkwam. Je mag daarom niet een of ander detail uit zijn context lichten en je afvragen of dat echt zo is gebeurd. Dan scheur je zo’n verhaal kapot. Het verhaal over de maagdelijke geboorte van Jezus is geen relaas van historische feiten, maar een juweel van theologische vertelkunst. Het leert ons dat Jezus een man van God is, dat God de ziel is van de Boodschap die Jezus heeft verkondigd.

Enthousiast vertelt Lucas in zijn evangelieboek over Jezus die met zijn Goede Bood­schap aan de wereld een nieuwe start gegeven heeft. Een boodschap van hoop: ja, er is veel miserie in de wereld, misschien ook in ons persoonlijk leven, toch mag u erop vertrouwen dat het uiteindelijk goed komt met onze mensenwereld, goed voor iedereen zonder uitzondering. Want God zelf bemoeit zich ermee! Hij heeft ons dat zelf geopenbaard in Jezus. Jezus, de spreekbuis Gods.

Jezus, spreekbuis Gods?!?  Hoe kan een doorsnee-mens zoals u en ik – in het bevolkingsregister staat Jezus ingeschreven als de zoon van Jozef en Maria – hoe kan die Gods grote boodschapper zijn? Het kan toch niet dat hij op een bepaald ogenblik gezegd heeft: als beroep kies ik ervoor Gods boodschap­per te worden. Dat is geen beroep, dat moet roeping zijn. Het initiatief moet van God zijn uitgegaan: Jezus heeft niet God gekozen, maar God heeft Jezus uitverko­ren.

Vooraleer verder te gaan neem ik eerst even onze eerste lezing onder de loep.
David, ooit een herdersjongen die in opdracht van God  van achter zijn kudde vandaan was gehaald om koning van Israël te worden, heeft gedaan wat van hem verwacht werd. Uiteindelijk als koning gesetteld in een mooi paleis in Jeruzalem, zegt hij tegen de profeet Nathan dat hij, uit dankbaarheid voor alle goeds dat God hem had bewezen, ook voor God een paleis, een tempel, wil bouwen. Maar al snel laat God via Nathan weten dat Hij ervoor bedankt om in een tempel opgesloten te worden. Hij trekt het initiatief naar zichzelf toe en belooft voor David een ‘huis’ op te bouwen – hier beeldspraak voor ‘familie’, ‘nageslacht’ – een huis dat zal blijven bestaan en waardoor zijn koningstroon voor eeuwig stand houdt. In dat nageslacht, een mensengemeenschap uit hetzelfde hout gesneden als David, voelt God zich ‘thuis’, dààr kan Hij ‘wonen’. Hij is immers een God van mensen, en niet van tempels of kerken.

Deze tekst was voor Lucas de sleutel die hem op weg zette om aan zijn lezerspubliek duidelijk te maken waarom God Jezus heeft uitverkoren als zijn boodschapper.
Maria was verloofd met Jozef “die uit het huis van David stamde”, noteert hij. Jozefs zoon behoort dus ook tot dat nageslacht. En over die zoon laat hij de engel Gabriël tot Maria zeggen “God zal hem de troon van zijn vader David zal geven, hij zal koning zijn, en aan zijn koningschap zal geen einde zal komen”. God doet dus hier zijn belofte aan David gestand. In Jezus is God aanwezig. In hem laat God zich vinden. De naam ‘Jezus’ is niet toevallig gekozen: ‘Jezus’ betekent ‘Jahweh redt’. God heeft a.h.w. Jezus geadopteerd om zijn Boodschap van vrede en gerechtigheid aan de mensen te verkondigen. God heeft hem tot zijn Zoon gemaakt. Jezus, zoon van Jozef, zeker, maar vanuit religieus, gelovig oogpunt, Zoon van God. God staat dus aan de oorsprong van Jezus: Hij werd door Gods Geest voortgebracht uit Maria, aldus Lucas’ geloofsbelijdenis. Uit het vervolg van zijn evangelie blijkt dat Jezus zijn roeping, Gods bedoeling met Hem, heeft onderkend en beantwoord.
En Maria op haar beurt heeft ook Gods bedoeling met haar onderkend. Zij wordt ‘begenadigde’, ‘gezegende’ genoemd, want God is met haar. Zij staat open voor God die geen tempel nodig heeft maar wel een mens die Hem met open armen ontvangt.

Dat Jezus geboren werd uit de maagd Maria heeft in de loop der eeuwen, tot op vandaag, binnen en buiten de Kerk voor de nodige commotie gezorgd. Ten onrechte, denk ik, want dit is geen biologische taal maar geloofstaal om te zeggen dat God aan de oorsprong ligt van de bijzondere roeping van Jezus. Tegelijk kondigt de engel Gabriël de aanstaande geboorte van Johannes De Doper aan: “Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd maar zij is al in haar zesde maand.” Ook hier dezelfde beeldtaal: om aan te geven dat ook aan Johannes een belangrijke religieuze zending wordt toebedeeld, zorgt ook hier Gods inbreng dat het onmogelijke mogelijk wordt. En zo staan er in het Oude Testament nog enkele verhalen over de geboorte van belangrijke religieuze figuren. Maar ook al ligt het initiatief bij God, zijn roepen moet wel respons vinden, want zonder mensen is God nergens.
De grote kracht van Maria is dat zij niet alleen Gods bedoeling, Gods ingrijpen in haar leven heeft onderkend, maar zich er ook actief heeft aan overgegeven. Ze beaamt dat met haar antwoord aan de engel: “Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.” Dat betekent niet dat zij alles maar over zich heen laat komen omdat er nu eenmaal niet aan het lot valt te ontkomen. Integendeel, zij werkt juist actief mee om Gods droom van vrede en gerechtigheid te laten slagen.

Ook met ieder van ons heeft God een bedoeling. Aan ons dus om ontvankelijk te zijn voor tekenen die ons op het spoor zetten van de weg die God met ons wil gaan. Ons hiervoor openstellen kan via gebed, maar ook in ons alledaagse werk, en niet te vergeten in de mensen die op ons pad komen. Als je God wil vinden, doe dan als Jezus, volg Hem na, en je zult uit God geboren worden.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.