4e zondag door het jaar C 2019 p

3 febr. 2019

Liefde kent geen grenzen (Lc 4,21-30; 1 Kor 12,31-13,13)

Het verhaal van vorige week over het eerste publieke optreden van Jezus in de synagoge van Nazareth krijgt vandaag een flinke staart.
Nadat Hij woorden van Jesaja had voorgelezen over de komende Messias, voegde Jezus eraan toe: “Vandaag is het Schriftwoord dat u gehoord hebt, in vervulling gegaan”.  Hier en daar fronsten een paar wenkbrauwen maar in het algemeen vonden de aanwezigen dat Hij, voor een eerste optreden, het vrij goed had gedaan.
Maar Hem op z’n woord geloven, doen ze niet. Dat Jesaja’s profetie ooit in vervulling zal gaan – god-weet-wanneer – dat zal wel waar zijn zeker… Maar dat die hier en nu in vervulling gaat, bij hen vandaag, in de persoon van stadsgenoot Jezus de timmerman…  dat kan er echt niet in. Jezus zou beter niet zo hoog van de toren blazen.
Tenzij… tenzij Hij zijn Messiaanse pretenties kan hard maken natuurlijk. Er zijn er die beweren dat Hij op weg naar hier, in Kafarnaum, de moeder (of was het de schoonmoeder) van een van zijn vrienden zou genezen hebben… Wat Hij elders kan, moet Hij hier maar eens overdoen. Uiteraard zullen we dan in Hem geloven.

Jezus ergert zich aan dit gekissebis. Hij dient hen van repliek, en is niet mals: ‘Een echte profeet is niet geïnteresseerd in goed scoren in zijn vaderstad. Niemand heeft recht op een wonder. Kijk maar naar het verleden. Elia deed ook geen wonderen voor zijn volk dat honger leed door drie jaar lang droogte. Maar hij hielp wel de arme weduwe bij wie hij ingekwartierd was. Dat gebeurde in Sarepta, in den vreemde, niet in ons eigen land Israël. Hetzelfde gold voor de profeet Elisa…  Neen, God leent zich niet tot vriendjespolitiek. Gods profeten verleggen grenzen’. Ook Hij, Jezus, wil die grens-verleggende weg gaan, zich niet beperken tot ‘eigen volk’ dat Hem braafjes achterna loopt. Maar wel naar tollenaars toe gaan, naar zondaars, Samaritanen en melaatsen, hen en andere maatschappelijk ‘buitengewipten’ weer binnenhalen in het gemeenschapsleven.
Zijn weigering om een wonder te doen om zijn Messiaanse ambities te bewijzen maakten zijn stadsgenoten ziedend van woede, schrijft Lucas. ‘Als Hij zich niet wil gedragen als ‘een van ons’, dat Hij dan ophoepelt’.  En ze sleurden Hem de stad uit. Bijna was Hij in de ravijn beland. Gelukkig kon Hij nog net ontsnappen.
* * *
Het gebeurt ook vandaag dat kerkmensen die God om een gunst smeken, zich boos van Hem afkeren omdat het gevraagde uitblijft. Jezus zegt duidelijk dat gelovigen geen alleenrecht hebben op daden van Gods genade, dat Gods liefde niet gebonden is aan ‘eigen geloofsvolk eerst’. God wil juist het geluk voor allen. En omdat Hij een en al rechtvaardigheid is, gaat zijn eerste interesse uit naar de minst gelukkigen – het maakt niet uit of ze Hem wel of niet aanbidden. Hij houdt immers ook van niet-kerkse mensen; ook van niet- en anders-gelovigen. Het ‘heilig land’, dat is in principe de hele wereld. Het ‘uitverkoren volk’, dat is de hele mensheid. God houdt zich niet aan de grenzen die mensen geneigd zijn af te bakenen.

Met zijn evangelieboek wil Lucas zijn geloofsgemeenschap aansporen om de nieuwe tijd die in Jezus begonnen is, verder te zetten. Het Messiaanse ideaal had met Jezus’ kruisdood een flinke opdoffer gekregen. Lucas wil zijn mensen over dat dieptepunt heen tillen. De nederlaag van het kruis was geen eindpunt maar het begin van een nieuwe fase. De Geest van de verrezen Jezus leeft. Hij wil een nieuwe toekomst openen door zich te vermenigvuldigen in nieuwe profeten.
Om zijn mensen ervan te overtuigen dat dit kan en moet, schreef Lucas nog een tweede boek, ons bekend als ‘De Handelingen van de Apostelen’. Daarin laat hij zien hoe de eerste generatie christenen in de na-Jezus-tijd die Messiaanse lijn heeft doorgetrokken en nieuwe liefdesprofeten opstonden. Ook in onze eerste lezing verkondigt Paulus diezelfde boodschap: “Al preek ik in de taal van de engelen, al heb ik een volmaakt geloof – als ik de liefde niet heb, dan helpt het mij niets, dan ben ik niets.”

Wellicht klinkt de naam van Don Helder Camara u niet onbekend in de oren. Hij was destijds aartsbisschop in Brazilië en alom bekend voor zijn inzet voor armen en verdrukten.  Een moderne liefdesprofeet. Toen hem ter ore kwam dat de politie weer eens een bedelaar van de straat had geplukt, belde hij naar het politiekantoor: “Ik hoor dat jullie mijn broer gearresteerd hebben?” “Sorry monseigneur, we wisten niet dat het uw broer was. Kom hem maar vlug ophalen.” Op het bureau werd de bisschop naar de hoofdcommissaris begeleid, die hem zei: “Maar, monseigneur, die man heeft een andere familienaam dan u”. Antwoord van Helder Camara: “Elke arme is mijn broer of mijn zus.”[1]
Een anekdote die ons een spiegel voorhoudt: Is de dakloze illegaal onze broer of zus voor wie we onze nek uitsteken? Of negeren wij onze naasten-met-hoofddoek als die door politieke praat en beslissingen tot in hun ziel gekwetst worden?
Allemaal doen wij af en toe goede dingen. Maar als puntje bij paaltje komt… zijn wij dan beschikbaar als hedendaagse profeten die de Geest van Jezus nodig heeft om zijn liefde te kunnen vermenigvuldigen? Of reageren wij eerder geïrriteerd, zoals die synagogegelovigen uit Nazareth, wanneer Jezus het heeft over Gods grens-doorbrekende liefde die prioriteit geeft aan het geluk van hen voor wie de goegemeente geen oog heeft?
Marc Christiaens o.p.

[1] Deze anekdote is overgenomen uit een preek van Timothy Radcliffe o.p. over de Barmhartige Samaritaan, verschenen in zijn boek Zusters en Broeders. Woorden van een prediker. (Lannoo, 2003, 12 euro).

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.