4e zondag door het jaar B 2015 p

 1 febr. 2015  (Viering)

Niet zoals de schriftgeleerden
(Mc. 1,21-28)
Marcus is geen veelschrijver. In zijn evangelieverhaal vind je bijvoorbeeld geen uitweidingen over Jezus’ geboorte, zoals bij Lucas, of  niets over Jezus’ afstamming, zoals bij Mattheüs. Zijn getuigenis begint bij Jezus’ doop in de Jordaan. En na een bezinningstijd in de woes­tijn laat hij Jezus – al verkondigend – vanuit het zuiden terugkeren naar Galilea, waar Hij zijn eerste leerlingen vond. Onderweg houdt Jezus een paar dagen halt in Kafarnaüm, zo hoorden we daarnet. Er is dus al heel wat gebeurt en toch is Marcus nog maar aan het 20ste vers van zijn eerste hoofdstuk. Niet te verwonderen dat zijn evangelie veruit het kortste is van de vier.

Daar, in Kafarnaüm, is het sabbat. En dus begeeft Jezus zich, zoals elke gelovige Jood, naar de synagoge. In zo’n sabbatdienst werden Bijbelteksten voorgelezen die dan door een schriftgeleerde werden becommentarieerd. Daarna mocht wie dan ook van de aanwezigen opstaan en daaraan een opwekkend woord toevoegen. Dat is het wat Jezus hier doet. Op zich dus niets ongewoons. Behalve dat je dit niet onmiddellijk verwacht van een onbekende die daar toevallig op doortocht is. In zo’n klein stadje kent iedereen iedereen, en wie er vreemd is, kijkt meestal even de kat uit de boom. Jezus blijkbaar niet.

In zijn haast vergeet Marcus ons te vertellen wàt Jezus toen heeft gezegd. En dat is niet onbelangrijk.  Want er staat: “De mensen reageerden geestdriftig want Hij onderrichtte als iemand met gezag”, met als bijkomende kanttekening dat wat Jezus zei, haaks stond op wat de mensen gewend waren te horen uit de mond van schriftge­leer­den [1]. Daarmee geeft Marcus al in zijn eerste hoofdstuk aan welk spanningsveld  de verdere Jezusgeschiedenis zal beheersen: Jezus contra schriftgeleerden (en farizeeën); zíjn woord tegenover dat van de officiële religieuze instanties.

Het gezag van de schriftgeleerden stoelde op hun kennis van de traditie. Daaruit distilleerden zij religieus gefundeerde gedragsregels. Geloofsengagement reduceren tot ‘dit moet en dat mag niet’ heeft echter vaak iets onderdrukkends omdat het inperkt en initiatieven aan banden legt. En daar gaat Jezus tegen in. Hij laat een ander, een nieuw licht schijnen. Hij reikt zijn toehoorders nieuwe toekomst aan door hen te bevrijden van dat beknellende ‘zo moet het omdat het altijd zo geweest is’. Wat Hem interesseert is niet de letter maar de geest van wat er geschreven staat over Gods bezig zijn met zijn volk.

Wie zo’n toon aanslaat, raakt iets in mensen, maakt iets in hen los. Volgens het getuigenis van Marcus, reageerden de meesten met verwondering, zelfs bewondering: “Die man spreekt met gezag”. Maar er was ook ergernis en verontwaardiging: “Waar haalt U het recht vandaan om zo te spreken, vreemdeling uit Nazareth? Bent U gekomen om onze heilige tradities af te breken?”. Die verontwaardiging, die woede culmineert in het gekrijs van de man van wie gezegd wordt dat hij bezeten was van een ‘onreine geest’.

Ik weet niet goed wat ik mij hierbij moet voorstellen, maar wat die bezetene zegt en doet, is veelbetekenend. Zijn uitval naar Jezus wordt ingegeven door angst, angst voor de beeldenstormer die de zekerheden van het verleden op losse schroeven zet, angst om los te laten wat vertrouwd is. Hij zit zo vastgeroest in het verleden dat hij zich niet durft te wagen op de nieuwe wegen die Jezus aanwijst. En tegelijk beschikt hij over geen redelijke tegenargumenten waarmee hij zijn traditionalistisch standpunt kan verdedigen. Zich zo argumentloos opsluiten in het eigen gelijk heet tegenwoordig ‘religieus fundamentalisme’; het maakt mensen blind en agressief. Ook hier: om Jezus te overtuigen van zijn gelijk begint de man te schreeuwen en te krijsen en wild om zich heen te slaan. Jezus van zijn kant blijft rustig en kalm. En daar kan die man niet tegen op. Die aanpak breekt hem, en hij geeft zich gewonnen. “De onreine geest ging uit hem weg.”

“Ontzetting greep allen aan.” De omstanders, inclusief de traditionalisten en de laatste twijfelaars, – ‘allen’ schrijft Marcus – zijn onder de indruk van de manier waarop Jezus zijn opposant voor zijn ideeën en zijn boodschap weet te winnen. Zij erkennen de waarheid van wat die bezetene in zijn woede had uitgeschreeuwd: “Ik weet wel wie U bent: de Heilige van God”. Jezus, de Heilige van God, die een nieuwe leer verkondigt, een leer met gezag, profetisch gezag. Deze demonenuitdrijving, dit bevrijdend wonder, fungeert hier als illustratie én als bevestiging van de kracht van Jezus’ bevrijdende Boodschap.

Waar die Boodschap geloofd en doorleefd wordt,  moet elke vorm van bezetenheid door troebele geesten wijken. Jezus wil mensen bevrijden van datgene waarin mensen zich laten inkapselen: fanatisme, dogmatisme, alle gesloten systemen en alle -ismen die ons gevangen houden. Hij roept een halt toe aan het bezeten-zijn door de boze geesten van welvaart ten koste van andermans welzijn, van individualisme ten koste van gemeenschapszin, van groepsegoïsme ten koste van solidariteit.
Ook wij zitten vaak zo vast in de vertrouwde wereld die wij om ons heen hebben opgetrokken, dat wij ons maar moeizaam laten aanspreken door die vrijmakende Boodschap van Jezus. Bevrijd worden van om vrij te worden voor de opbouw van een wereld waarin iets zichtbaar wordt van het toekomstvisioen waarvoor Jezus heeft geleefd, waarvoor Hij zijn leven heeft gegeven: de vestiging van Gods Rijk in ons midden waarin mensen als broers en zussen van elkaar in vrede samen leven.
Marc Christiaens o.p.

 

[1] Wat Hij toen vertelde zou wel eens van het genre kunnen geweest zijn van wat Mattheüs optekende: “Jullie hebben gehoord dat er tot onze voorouders gezegd is: jullie moeten zich zus en zo gedra­gen, maar Ik zeg u:…” (Mt. 5,27-48).

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.