4e zondag door het jaar A 2017 p

29 januari 2017          (Viering)

Een God die van mensen houdt
[Mt. 5,1-12a]
Nogal wat gelovigen denken dat ze hier op aarde hun hemel moeten verdienen. Ik geloof niet zo erg in ‘z’n hemel verdie­nen’, in geloofsprestaties. Als ik het evangelie­boek opensla dan vind ik daarin geen handleiding voor mensen die bij God willen geraken. Ik lees daarin eerder het omge­keerde: dat Jezus in de wereld is gekomen om ons duidelijk te maken dat God zo graag bij de mensen wil geraken, dat onze God een God is die van mensen houdt, dat Hij ons als eerste heeft liefge­had. Al de rest komt op de tweede plaats.
Die omgekeerde beweging zit ook in de zaligsprekin­gen, waarvan vaak wordt gezegd dat ze de grondwet van het christendom zijn, een kernachtige samenvatting van de hele Jezusboodschap.

Verschillende groepen mensen krijgen hier een schouderklop: honger­lijders en dorstigen, mensen die verdriet hebben, die vervolgd wor­den… Zij zijn op de goede weg. De wereld op zijn kop. Wie anders dan Jezus haalt het in zijn hoofd om zulke mensen te feliciteren. Dat zegt iets, heel veel zelfs, over Jezus zelf, over zijn specifieke voor­keu­ren, over Gods voor­keuren dus – want Je­zus wenst hen geluk namens God. Wie en wat God ter harte gaat, staat haaks op wie en wat in onze wereld appreciatie geniet.

Als we God tegen groepen mensen horen zeggen: jullie zitten op de goede weg, dan weten we meteen ook welke wegen niet goed zijn. Of juis­ter, welke obstakels het voor God onmogelijk maken om tot bij ons te geraken.

Als je aan jezelf genoeg hebt, zegt Jezus, sakker dan niet omdat voor jou God onvindbaar en veraf is. Hoe zou Hij bij jou kunnen geraken? Je hebt jezelf immers onbereikbaar gemaakt. ‘Armen van geest’ en ‘zuiveren van hart’ hebben juist niet aan zich­zelf genoeg. Zij kijken uit naar verlossing, naar bevrijding. Zij houden de weg open waarlangs God hen kan benaderen.

Als je je afsluit van het leed in de wereld, als je de vreem­deling en de vluchteling negeert, als je het hoofd afwendt van mensen die verdriet hebben en het niet meer zien zitten, dan kan God niet naar jou toekomen. Want “wat je niet deed voor één van deze minsten van mijn broeders, heb je ook niet voor Mij gedaan”, zegt God. Hij wil, via mensen-in-de-marge, bij jou geraken. Maar als je die toe­gang voor God afsluit, dan lukt Hem dat niet. God kan slechts dié mensen bereiken die behoefte hebben aan steun en troost, die hongeren en dorsten naar recht en gerech­tigheid – voor zichzelf en voor anderen. Hij die Emmanuel heet, God-met-ons, kan slechts met ons zijn als wij medemen­sen liefdevol in onze armen sluiten.

Ook bij machtsmensen kan God niet binnen want Hij opteert niet voor over-macht. Zijn weg is die van de zachte moed en van de moed van zachtheid die kwaad tracht te overwinnen met goedheid. Dat vergt veel meer weerbaarheid dan terug­slaan als je een klap krijgt.
Als je een gewiekst vechtersbaasje bent, je met je ellebogen naar de eerste rij wringt, hogerop wil geraken door anderen op hun kop te zitten, hen om je vinger te draaien met ver­leidelijke charme, zwart te maken,  te berod­delen en tweedracht te zaaien, dan heb je bij voorbaat het pad geblokkeerd waarlangs God naar jou toe wilt komen. Hij kiest de kant van de vrede­zaaiers – hoe slecht hun kansen er ook voorstaan. Hij bouwt mee met bruggenbouwers die blijven volhouden ook al lijkt de kloof te breed en te diep.
Onze God is immers een God van barmhartigheid, mildheid en vergevingsgezind­heid. Tot zeventig maal zeven keer als het moet. Vergeven betekent: weer toekomst openen, nieuwe kansen creëren, opnieuw vertrouwen schenken. Maar onze God kan dat slechts aanbieden. Hij dringt zijn barmhartigheid niet op. Wie zijn mond en ogen stijf gesloten houdt, en zijn aanbod ne­geert, zet God voor schut, die laat Hem zijn werk niet doen.

Aan beschimping, vervolging en lasterlijk van allerlei kwaad be­ticht worden, ontsnap je niet als je in de geest van de zalig­sprekin­gen tracht te leven. Christenen zijn een bedreigde mensensoort in de we­reld van ieder voor zich, van individualis­me en groepsegoïsme. Daar zijn andere normen en waarden gangbaar dan die van de zaligsprekingen. Wie vrede na­streeft, roept onvrede op bij de aanhangers van oorlog en geweld. Wie zich met anderen ‘kinderen van dezelfde Vader’ weet, en dus uiter­harte meedeelt en mee laat genieten van het geluk dat onder mensen mogelijk is, die verstoort de logica van het recht van de sterkste. Wie met Jezus de weg naar de armen inslaat en de geringen verheft, komt in botsing met wie willen heer­sen, met wie hun bevoorrechte positie weigeren in vraag te stel­len. Niemands vijand willen zijn, roept tegenstand op en vijand­schap.

De God van de zaligsprekingen is geen verre onbereikbare God, maar een God die van mensen houdt, en bij hen thuis wil zijn in zachte, zingevende samen­horig­heid. Hij lijkt echter een verre en wereldvreemde God voor hen die God-vreemde wegen gaan. Hij wil zo graag, maar kan ons niet berei­ken als wij onszelf onbereikbaar maken.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.