4e Paaszondag C 2022 p

Waarom doet Jezus zo geheimzinnig over zijn identiteit?
[Joh. 10, 22b-31 ; niet 27-30! + Hand. 13,14.43-52]

Het korte stukje evangelietekst dat de officiële liturgie ons vandaag aanreikt (Jo.10,27-30) klinkt idyllisch. Dat is slechts schijn. Want die passage werd uit haar verband gerukt. Een beetje oneerbie­dig, kun je dat liturgisch boe­renbe­drog noemen. Terugge­plaatst in zijn oorspron­kelijke context – daarom heb ik mijn voorlezing een paar verzen eerder aangevat, en één vers verder gelezen (Jo. 10,22b-31) – blijkt dat Jezus die woorden uitsprak tijdens een fikse ruzie met de jo­den. De gemoede­ren waren zelfs zo verhit dat Jezus zich kort nadien ij­lings uit de voeten moest maken, wilde Hij geen regen stenen naar zijn hoofd geslingerd krij­gen.

Het was toen winter, schrijft Johannes. Niet alleen de temperatuur maar ook de sfeer zat beneden het vriespunt. Koud en kil had­den de Joden Jezus op de man af gevraagd: “Hoe lang laat U ons nog in het onzekere? Zijt U de Messias of niet? Zeg het nu eens rond­uit, zonder omwegen.” Je proeft de ingehouden agressie.
Vlak daarvoor had Jezus zichzelf tweemaal vergeleken met een goede herder (10,1-6 en 11-16) en eenmaal met de deur van de schaapskooi (7-10). En telkenmale beklemtoonde Hij dat de scha­pen feilloos de stem van hun herder herkennen maar weg­vluchten voor vreemden, huurlin­gen of rovers. De omstanders hadden wel begrepen dat Jezus daarmee de joodse reli­gieuze leiders viseerde, ook al had Hij dat niet met zoveel woorden gezegd. Tegen suggestieve taal is het moei­lijk opboksen: iets zeggen en tegelijk niets zeggen, wekt irri­tatie op. En dus willen ze Jezus kleur doen bekennen: “Hou nu eens op met dat rond-de-pot-gedraai over ‘ik ben de goede herder’. Zeg nu eens klaar en duidelijk: Beschouwt U Uzelf als de Messi­as, ja of nee!”. En Jezus herhaalt: “Kijk naar wat Ik doe! Wat Ik doe, doe Ik in naam van mijn Vader. Voor mijn schapen, voor wie in Mij gelooft, volstaat dat. Voor julli blijkbaar niet. Maar julli willen niet geloven in Mij!”.

Als Hem openlijk naar zijn identiteit gevraagd wordt, houdt Je­zus zich op de vlakte. Dat is hier het geval, dat is op andere plaatsen in de evangelies dikwijls ook zo. Pas toen Hij terecht stond voor het joodse sanhedrin (Mt. 26,63-64; Mc. 14,61-62; Lc. 22,67-70) erkende Jezus in het openbaar dat Hij de Messias, de Chris­tus was [het eerste woord is Hebreeuws, het tweede Grieks, in het Nederlands betekenen ze allebei: ‘Gezalf­de’]. Zolang Hij als vrij man onderricht gaf, heeft Hij zich in het pu­bliek nooit ‘de Mes­sias’ of ‘Christus’ genoemd [één uitzon­dering: Jo. 4,26], wel binnen de kring van zijn intie­me vrien­den. Maar dan voegt Hij er meestal aan toe: “Jullie mogen dat aan niemand verder vertellen” (bv. Mt. 16,16; Mc. 8,29; Lc 9,10).

Waarom doet Jezus zo geheimzinnig over zijn religieuze identiteit? Wel­licht omdat de manier waarop Jezus tegen zijn taak als Messi­as aankeek, niet overeenkwam met wat de joden – inclusief zijn eigen (joodse) volgelingen! – van de komende Messias verwachtten.
Het Jodendom kijkt verlangend uit naar de komst van een Messias, een door God gezon­dene, die zijn volk zal bevrijden van zijn onderdrukkers, die goddelo­zen de mond zal snoeren, en alle godgetrouwen zal bijeen brengen. Voor hen zal Hij een ko­nink­rijk uitbou­wen, geba­seerd op recht en rechtvaardig­heid, de heiden­volken zal hij onder­werpen, en uiteindelijk zal die Messias zijn gezag, en dus Gods gezag, vestigen over de gehele wereld.

Dat voor de joden de Messias de redder is die hen definitief van alle ellende zal bevrijden, onder­schrijft Jezus van harte, want dat is inderdaad zijn bedoeling. Maar zijn eerste pro­bleem is dat de joden hun verwachte Messias opvatten als een we­reldse machthebber, een soort koning dus. En dat wil Jezus niet. Na de broodvermenig­vuldi­ging bij­voor­beeld klonk het in de wandelgan­gen: “Dit is stellig de Profeet die in de wereld moet komen”. En als dat Jezus ter ore kwam, zo staat erbij, “begreep Hij dat ze Hem tot koning willen uitroe­pen”, en muisde Hij er stilletjes vanonder (Jo. 6,14-15). Zijn Messi­aans koningschap is immers niet van deze wereld (Jo. 18,36-37).

Meer problemen nog heeft Jezus met het feit dat het jodendom de Messias claimt voor zichzelf: die Godsgezant zal ons volk, het Joodse volk, komen redden. En wie zich niet bij ons aan­sluit, mag het wel schudden.
Dat wil Jezus nu net niet. Hij wil redding brengen, maar dan voor iedereen. Hij wil verschillen tussen mensen overstijgen. Zich door één groep laten claimen kan niet zonder de andere onrecht aan te doen. Later, toen de Jezusboodschap ten volle tot hen was door­gedrongen, verklaarden zijn volgelin­gen dan ook (met name Paulus en Barnabas in onze eerste lezing): “De Heer gaf ons de opdracht licht te zijn ook voor de heidenen en redding te brengen tot aan het uiteinde der aarde.”

Dat zijn eigen volksgenoten niet gediend waren met zijn universele Messiasopvatting had Jezus al bij het begin van zijn openbaar optreden ondervonden. Toen Hij zich in zijn vaderstad Nazareth voorstelde en zei dat Hij geko­men was om aan armen de Blijde Boodschap te verkondi­gen, blinden te doen zien, en bevrijding te brengen aan mensen in verdruk­king, reageerden zijn stadsgenoten wild enthou­siast. Maar toen Hij eraan toevoegde dat dit niet alleen gold voor hen maar voor iedereen, joegen ze Hem onder doodsbedrei­gingen de stad uit (Lc 4,16-30).

De vraag ‘Zijt U nu wel of niet de Messias die we verwach­ten’ lijkt ondubbelzinnig, maar is dat dus niet. ‘Messi­as’ betekende voor de joden immers iets anders dan wat Jezus voor ogen stond. Om dat verschil in visie niet nog meer aan te scher­pen, wilde Hij dat woord niet in het publiek in de mond nemen, en dus geeft Hij op hun vraag geen recht­streeks ant­woord. Jezus houdt het bij het beeld van de herder, hij die de kudde bij elkaar brengt en bij elkaar houdt. Hij wil iedereen die in Hem iets ziet, die zich aange­sproken voelt door zijn stem, bij elkaar bren­gen – jood of niet-jood, Hij maakt geen onderscheid. Wie zich door die stem geroepen voelt, wie zich door de Geest van Jezus die één is met de Vader, laat inspireren, mag daarop vertrou­wen, met de­zelfde vanzelf­sprekende intuïtie waarmee een schaap ver­trouwen stelt in de stem van zijn herder en niet in die van vreem­den. Intuïtief voel je aan wie Jezus is voor jou, in welke relatie je tot Hem staat, wat Hij voor jouw leven wil bete­kenen. Hij kan voor jou de Messias zijn, Zoon van God, Dienaar of Profeet. In plaats van die traditio­neel Bij­belse begrippen mag je Hem ook aan­spreken met eigentijdsere begrippen: Broeder, Tochtge­noot, Weg­wijzer, Inspira­tor of nog anders. Het maakt niet zo veel uit hoe je Hem noemt. De vraag naar zijn exacte identiteit is niet zo relevant. Relevant is wel het intuï­tief vertrou­wen, zo leert ons het beeld van het schaap en de herder. Vertrouw erop, volg die stem, samen met massa’s anderen: conserva­tief en progres­sief; katholiek, protestant, orthodox of wat dan ook. Erger je niet aan die verschillen, zoals de joden dat doen, maar wees juist blij dat er zovelen zijn die Jezus’ Stem willen volgen, die zich willen overge­ven aan die Jezus-intuïtie, die zich door Hem willen laten meene­men, die zich door Hem willen laten redden.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.