4e paaszondag B 2015 p

26 april ’15 (Viering )

Elkaars herder zijn.
(Joh. 10, 11-18)

‘Ik ben de goede Herder’ . Zo stelt Jezus zich vandaag aan ons voor. Kort en duidelijk.  ‘Ik ben’ woorden nam Hij vaker in de mond. ‘Ik ben de wijnstok, Ik ben het brood om van te leven, Ik ben de weg, de waarheid en het leven’. Hij hield van zo’n rechttoe-rechtaan stijl en daar hebben de meesten onder ons waarschijnlijk geen probleem mee. Heel anders ligt het met dat beeld herder-schapen. Ten eerste: wat een herder zoal de ganse dag doet, weten we niet goed. In mijn kennissenkring bijvoorbeeld, komt geen enkele schaapherder voor. Vandaar waarschijnlijk dat we van dat beroep een lieflijk, soft beeld maakten, een pastorale, zeg maar. Met het gevaar dat we Jezus, die zegt dat hij de goede Herder is, in een ietwat levensvreemde hoek zetten. Ten tweede: wie herder zegt, denkt automatisch aan een kudde en in één adem aan domme volgzaamheid en een vanzelfsprekende afhankelijkheid. En dat is andere koek, voor ons westerlingen. Wij maken er juist een punt van om ons leven zélf in handen te nemen, vrij en onafhankelijk onze eigen weg te gaan.

Om niet kregelig te worden van deze evangelielezing moeten we bijgevolg op zoek gaan naar een eigentijds equivalent voor dit bijbelse beeld van Jezus als de goede herder.
En dan is het nodig dat we Jezus’ uitspraak Ik ben de goede herder, een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen, in haar juiste context plaatsen. We moeten ervan uitgaan dat in Jezus’ tijd een herder met een kudde een dagelijks tafereel was. Iedere avond werden de kudden schapen samengedreven binnen de schaapskooi. De volgende morgen kwamen de herders en riepen hun schapen naar buiten. Die kenden bijgevolg de stem van hun herder. En de herder kende de naam van ieder schaap. Tussen de schapen en de herder was er een hechte verbondenheid. Romantiek kwam er niet aan te pas. In die tijd was het leven van een schaapherder ruw, hard, vermoeiend. En gevaarlijk op de koop toe, want rovers en wolven waren geregeld van de partij.
In wat we in het begin van dit evangelie hoorden, benadrukt Jezus vrij sterk dat hij geen huurling-herder is.  Want dat bestond ook, ingehuurde herders wier motivatie eerder in de sfeer van eigenbelang lag. Voor zo’n huurling is de kudde op de eerste plaats een middel van bestaan, het is z’n job, hij verdient er z’n boterham mee. Begrijpelijk daarom  dat zo’n huurling zich afstandelijker gedraagt als hij met rovers en wolven te maken krijgt. Hij is immers niet de eigenaar van de schapen en wanneer onraad dreigt is de verleiding groot om de benen te nemen en de schapen aan hun lot over te laten. Tussen haakjes, naar mijn aanvoelen kan een gehuurde herder best ook uitgroeien tot een goede herder, als hij maar gaandeweg leert afstand te nemen van het redden van zijn eigen hachje.

Waar Jezus zegt Ik ben de goede herder vat hij zichzelf samen als iemand die zorgzaam open staat voor anderen. En hij voegt er meteen aan toe Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij. Het meest karakteristieke kenmerk van de goede herder is bijgevolg zijn schapen kennen en dat woord moeten we – volgens exegeten die het weten kunnen – in de zin van beminnen interpreteren.
Jezus stuurt met deze uitspraak ook aan op een wederkerige relatie: kennen en gekend worden, beminnen en bemind worden. Kortom: een grote mate van verbondenheid en een vertrouwd-zijn-met-mekaar.
Jezus is het type herder dat zichzelf helemaal wegcijfert en zich compleet ten dienste stelt van de kudde die hem is toevertrouwd en die overigens voor hem geen kwantitatieve grenzen kent. We hoorden het Hem zeggen: Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet ik herder zijn. Die universaliteit van zijn liefde voor de schapen waarvoor Hij zijn leven veil had, maakt dat Hij niet een goede herder is, maar de goede herder.

Hoe gaan we nu als christenen op stap met dat Goede Herder-verhaal. Reageren we daar koukleumig op in de zin van dit is iets wat Jezus over zichzelf vertelt en daarvan nemen we akte. Volgend weekend horen we wel weer iets anders dat onszelf meer aanbelangt. Dat zou jammer zijn. Want dit verhaal is een uitdaging naar ons toe. Als we echt in Jezus’ voetspoor willen treden houdt dit in dat we ergens ook herder, pastor, voor elkaar  proberen te zijn. Durven rondom ons te kijken, ogen en oren openhouden voor mensen die hulp nodig hebben, en dan denk ik nu eens niet op de eerste plaats aan materiële hulp. Ik denk ook niet aan dons-vriendschap of aan hulpverlening met ayatollah-allures. Wel aan mensen, herders, pastors, die de moed opbrengen om op wacht te staan bij elkaars verdriet, angst en eenzaamheid. Mensen die poreus voor andersdenkenden zijn. Mensen die de eigen inspanningen niet op een gouden schaaltje wegen. Mensen die in het donker lichtbaken en vuurtoren proberen te zijn. Mensen die niet hun kippen, maar hun eigenbelang ophokken.

Het is een traditie dat op deze vierde zondag van Pasen, voor roepingen wordt gebeden. Het zit er nog altijd diep bij ons ingebakken dat we daarbij uitsluitend richting priester- en kloosterroepingen denken. Maar maken we dan van dit Goede Herder-evangelie geen schrale light versie? Vergeten we dan onze eigen taak niet in het herderschap, in de pastoraal? Schuiven we dan niet teveel naar anderen toe, wat we, ook als niet-gewijde mannen en vrouwen, zélf kunnen doen, namelijk elkaars herder zijn? Die niemand afschrijven, uitsluiten en excommuniceren. De bakens moeten daarbij liefst zo ver mogelijk uitgezet worden, met een oecumenische mentaliteit en met een grensoverschrijdende bekommernis voor vreemdelingen met een andere cultuur en godsdienst.
Tot slot nog dit: wie denkt dat ik volop wishful thinking aan ’t verkopen ben, heeft het mis voor. Goede herders – en herderinnen – bestaan écht. Ik heb ze al vaak ontmoet, in onze kerkgemeenschap. Scepticisme op dit vlak kunnen we bijgevolg toch ook maar beter meteen ophokken.
Rita Kuijpers

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.