3e zondag veertigdagentijd C 2019 p


27 maart 2019               (Viering)

Geen straffende maar een barmhartige God
(Ex. 3,1-8a.13-15 ; Lc. 13,1-9)

In Utrecht stapt een man op de tram en opent het vuur: 3 doden en 7 gewonden waarvan 5 heel ernstig. In Nieuw Zeeland vallen 50 doden bij een aanslag op twee moskeeën. In Mozambique veroorzaakt een tropisch cycloon wellicht meer dan 1000 doden.
In de tijd van Jezus was de situatie niet veel rooskleuriger. Alleen was er toen nog geen televisie, radio of kranten. De nieuwsberichten gingen toen van mond tot mond. En dus ging het vooral over plaatselijke rampen.

‘Zeg, Jezus, hebt U het al gehoord dat onze Romeinse landvoogd Pontius Pilatus een aantal vrijheidstrijders uit Galilea heeft laten afslachten? In de tempel nog wel, en dat terwijl ze bezig waren een offer te brengen. Wat vindt U daarvan?’ Voor wie kiest Jezus partij? Keurt hij het gewelddadig optreden van Pilatus af ? Of sluit hij zich aan bij de opinie van de meeste geloofsgenoten die vinden dat wat die Galiliërs overkwam hun welverdiende straf is. Ze hadden maar niet in opstand moeten komen tegen het gezag. God houdt daar niet van.
En dan was er nog die ramp in Siloam, een buitenwijk van Jeruzalem, waar een torengebouw in aanbouw in elkaar was gestort, 18 mensen kwamen om het leven, naast tientallen gewonden.  Wiens schuld zou dat zijn? Van de architect? De stellingenbouwer? Of van het stadsbestuur misschien dat in zijn grootheidswaanzin de toren van Babel in het klein wilden nabouwen? Het kan ook gewoon een straf van God zijn, zeker voor die 18 doden die wel een en ander op hun kerfstok moeten hebben gehad, anders hadden ze het er wel levend van afgebracht. Dat is toch zo, hé Jezus?

U voelt het aan: als er iets ernstigs misloopt, denken joodse gelovigen in hun hart dat de slachtoffers het allemaal aan zichzelf te danken hebben: het is een straf van God; ze zullen het wel hebben verdiend.
Ook de apostelen denken er zo over. In het Johannesevangelie (9,2) vragen ze aan Jezus, naar aanleiding van een blindgeborene die ze op straat tegenkomen: “Wie heeft gezondigd dat hij blind geboren werd? Zijn ouders of hijzelf?”.

Dat soort vragen komen vandaag niet meer uit onze mond. Of misschien toch… Als ons iets verdrietigs overkomt, zeggen we dan soms niet: “Waar heb ik het aan verdiend?”. Daar klinkt de gedachte ook door dat ziekte en andere tegenslagen mensen treffen die het misschien verdiend hrbbrn. Alsof lijden en tegenslag toch een straf van God zouden kunnen zijn. Gevaarlijk wordt het wanneer de redenering wordt omgekeerd: met wie het slecht gaat, die zal ook wel slecht zijn. Honger armoede, ziekte… mensen die zoiets overkomt, zullen het er wel naar gemaakt hebben, anders zou de almachtige God dit toch niet laten gebeuren…

Jezus keert zich fel tegen dergelijke populaire vooroordelen: “Geen sprake van! Dat is allemaal vierkante onzin. Stop met die praatjes. Lijden en ongeluk zijn géén straf van God. Zo is God niet.”.

En hoe is God dan wel? Om de mensen een glimp te gunnen van wie God écht is, vertelt Jezus het verhaal van een vijgenboom die al drie jaar lang geen vruchten meer opleverde. ‘Zal ik hem omhakken?’ vroeg de eigenaar. ‘Nee, antwoordde de tuinman, geef hem nog een kans. Ik zal hem nog eens extra vertroetelen: de grond er rond omspitten, hem besproeien en bemesten. Wie weet draagt hij dan volgend jaar vrucht”. Geen straffende God, maar een barmhartige God die mensen een laatste kans gunt. Hen steeds opnieuw een laatste kans gunt.

Die liefdevolle God die zijn mensen niet in de steek laat, kwam ons ook tegemoet in de eerste lezing: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord. Ik ken hun lijden. Ik ben afgedaald om hen te bevrijden uit de macht van Egypte”(Ex. 3,5). God legt zich niet neer bij de ellende van zijn mensen, Hij duldt niet dat de één de ander als slaaf behandelt, en dus Hij daalt af om zijn volk uit Egypte te bevrijden, Hij daalt af om de eenzame te bevrijden uit zijn geïsoleerde bestaan, Hij daalt af omdat Hij mensen in de miserie nabij wil zijn, tot steun wil zijn. God wordt door dat lijden van mensen geraakt, en dus daalt Hij af om zich te ontfermen over die zieke, die arme, die hongerige, die eenzame, om met hen mee te lijden, om hun ruggensteun te geven in hun strijd tegen het kwaad dat hen getroffen heeft. Hij sluit zich aan bij de mens in miserie, en helpt hem overeind te blijven en uit de miserie weer op te staan.
De naam van God – die aan Mozes werd geopenbaard – is niet toevallig: “Ik ben die er is voor jou”. God wil er zijn voor ieder mens. Hij is geduldig. Hij is barmhartig. Hij is liefde. Hij gelooft altijd in de mogelijkheid van beterschap, zelfs als het om een dorre vijgenboom gaat.
Marc Christiaens o.p.

Bezinning
Vasten
is zich samen voor de kar spannen
op weg naar de horizon
waar de zon schijnt
ook voor mensen
achter die horizon.

Vasten
is de weg banen
voor een nieuwe Kerk
die zich naar mensen spoedt
in plaats van een Kerk
die op haar mensen wacht.

Vasten
is zichtbaar op weg gaan
en weten:
‘We gaan verder
en steeds opnieuw en verder
vol van hoop
de ongebaande wegen
die Hij die ons voorging’                                        Hilde Welffens

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.