3e zondag van de Advent B 2017

 17.12.2017                           (Viering)

De Doper als kroongetuige (Joh. 1,6-8 + 19-28 ; Jes.61,1-2a 10-11)

Vorige week kregen we de visie van de evangelist Marcus op Johannes de Doper te horen. De Doper presenteerde zich daar als voorloper en wegbereider van de Heer. Maar voor het overige – met zijn kameelharen kleding, zijn sprinkhanen en wilde honing op het menu – leek hij een vreemd schepsel weggelopen uit een of ander rariteitenka­binet.
De evangelist Johannes die vandaag aan het woord is, schildert een heel ander portret van zijn naamgenoot. Bij hem ligt de klemtoon niet op de boeteprediking van de Doper, ook niet op het beke­ringsdoopsel als voorbereiding op de komst van de Messias. Zelfs de doop van Jezus blijft hier onvermeld. In het Johannes-evangelie is de Doper allereerst een getuige. Niet de aankondiger van de Messias maar de kroongetuige die Hem a.h.w. met de vinger aanwijst. De ceremoniemeester ook die het oude Israël naar zijn Messias leidt (Joh.1,31).

In de eerste twee zinnen van onze tekst valt het woord ‘getuige­nis’ niet minder dan vier keer. Stilistisch misschien niet zo mooi, maar het is wel duidelijk. Het verhaal krijgt daardoor een officieel, een bijna juridisch karakter: als “gezondene van God” legt Johannes getuigenis af tegen­over de officiële afgevaardigden van het Joodse volk, priesters en levieten die waren uitgestuurd om hem te vragen naar zijn religieuze identiteit: “Wie bent u?”.
[Op het eerste gezicht lijkt het wat vreemd dat onze evangelist hier de Doper plaatst tegenover (de vertegenwoordigers van) ‘de Joden’, terwijl het toch duidelijk is dat de Doper zelf een jood was.
U moet weten dat dit evangelie werd geschreven tientallen jaren na de dood van Jezus. In de geloofsgemeenschap waarvoor Johannes schrijft, leefden christenen en joden op gespannen voet. Met ‘joden’ is hier bedoeld: zij die de boodschap van Jezus niet hebben willen aanvaarden. Als de Doper, in ons verhaal, geconfronteerd wordt met vertegen­woordigers van ‘de joden’, dan is het voor de christenen uit de tijd van de evangelist reeds bij voorbaat duidelijk dat het getuigenis van de Doper bij zijn tegenstanders in dovemansoren zal vallen. Maar dat doet niets af aan het officiële karakter en de rechtsgeldigheid van het getuigenis. Verderop in dit evangelie zal er nog herhaaldelijk naar verwezen worden (3,26.28; 5,33). Het zal blijven fungeren als een aan­klacht in het dossier van Israël.]
De vraag wordt vier keer gesteld:
Wie bent u? Antwoord: Ik ben de Messias niet.
Bent u dan Elia? Dat ben ik niet.
Bent u soms de profeet? Nee.
Wat zegt u over uzelf?

‘Messias’, ‘Elia, ‘de profeet’…  alle drie hebben ze in het joodse denken een heel specifieke plaats.
            Messias
Voor ons die op de hoogte zijn van wat later volgt, is het evident dat de Doper zich geen ‘Messias’ wil laten noemen. Dat komt toe aan Jezus, de Vredevorst die Gods Koninkrijk zal komen vestigen in de harten van de mensen.
Wie de evangelies erop na leest, zal echter merken dat ook Jezus vermeed om in het openbaar als Messias te worden aangesproken. De reden was dat die titel bij het joodse volk heel andere verwachtingen opriep. Het oude Israël dacht daarbij aan een ideale koning die, in trouw aan Jahweh, een paradijselijk tijdperk voor Israël zou inluiden. In Jezus’ tijd, onder de Romeinse bezetting dus, zou men die ideale koning wel eens kunnen opvatten als een nationalistische bevrijder die met de vijand korte metten maakt en het joodse volk onafhankelijkheid en welvaart garandeert. Dat aardse messianisme wees Jezus af. En om verwarring te voorkomen, gebruikte hij i.p.v. ‘Messias’ liever de titel ‘Mensenzoon’.
            Bent u Elia?
Elia is de profeet uit het Oude Testament van wie beweerd werd dat hij nooit was gestorven  maar in een vurige wagen ten hemel was opgestegen. En men verwachtte dat hij naar de aarde zou terugkeren als voorbode van de Messias.
Dat ben ik niet, zegt de Doper.
Dat klinkt een beetje vreemd als je weet dat Jezus zelf enkele malen aan de Doper de rol van de ‘weergekeerde Elia’ heeft toegekend (Mt. 11,14; 17,12). Waarom ontkent de Doper dat dan? Die vraag moeten we nog even vasthouden.
            Bent u de profeet?
In bepaalde Joodse kringen werd gedacht dat er ooit een tweede Mozes zou opstaan die het terrein zou voorbereiden voor de komst van de Messias. Ook op die vraag is het antwoord van de Doper negatief.
            Wat zegt u over uzelf?
‘Messias’, ‘Elia’, ‘de profeet’ zijn dus drie namen/titels afkomstig uit de messiaanse verwachting van het Jodendom. Ook al zitten ze er dus niet ver naast, toch krijgen de ondervragers driemaal ‘Dat ben ik niet’ in de maag gesplitst. Ze krijgen het ervan op de zenuwen want met zijn doopactiviteit moet die man toch een specifieke bedoeling hebben. “Wat zegt u dan over uzelf?” De Doper antwoordt nu met een citaat uit de profeet Jesaja: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer!”. Om het wat hedendaagser te formuleren: ‘My name is nobody, ik ben niemand, niets, ik ben slechts de stem van iemand anders.’
Op de vragen van de afgezanten reageert de Doper steeds negatief omdat hij zichzelf geen enkele religieuze identiteit toekent. Zijn identiteit is getuigen voor Iemand anders, zich geheel en al ten dienste stellen van Diegene die na hem komt. Ook zijn doopactiviteit heeft geen messiaanse pretentie maar staat in dienst van zijn getuigenis: het is een manier om op het spoor te komen van en aan te wijzen ‘Diegene die midden onder u staat maar die gij niet kent’.
Door’niemand’ te willen zijn, schept hij ruimte voor de Onbekende in ons midden: “Weest blij want Hij, wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken, staat – hoewel nu nog onbekend – al in uw midden.” Johannes de Doper als Johannes de Aanwijzer.

Ook wij zijn als christenen geroepen om, door onze manier van leven, een levende verwijzing te zijn naar de verborgen Christus. Wij zijn er om te getuigen van het licht, het Licht dat op Kerstmis een concreet gezicht krijgt: Jezus van Nazareth, de gezondene van Godswege om vrede en vreugde te brengen. Of, zoals Jesaja het in onze eerste lezing formuleerde:
“Hij is diegene die door de Heer werd gezalfd
om de armen het blijde nieuws te brengen.
Hij werd gezonden om gebroken harten te verbinden, (…)
om het genadejaar van de Heer aan te kondigen.” (Jes. 61,1-2a).
 Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.