3e zondag door het jaar C 2016 p

24 januari 2016   (Viering)


Een jaar dat de Heer welgevallig is
(Lc. 1,1-4 + 4,14-21)

In het voorwoord van zijn evangelieboek belooft Lucas aan de geachte Teofilus – waarover verder niets bekend is – dat hij een en ander ordelijk op schrift zal stellen waaruit moet blijken dat wat wij geloven, goed gefundeerd is. ‘Wij’ dat is de geloofsgemeenschap rond Lucas, ruim 40 jaar na de dood van Jezus. De tijd van ooggetuigen die alles van dichtbij hebben meegemaakt, is voorbij. We hebben te maken met de tweede, deels al derde generatie christenen.
Van dat voorwoord springen de samenstellers van onze liturgisch leesrooster meteen naar hoofdstuk 4: het publieke grote optreden van Jezus in Nazaret, na zijn doop in de Jordaan en zijn bezinningstijd in de woestijn.

Het doek gaat op. Een joods decor: de synagoge op sabbat. Op de achtergrond brandt de menora, de zevenarmige kandelaar; centraal op de voorgrond: het opgerolde boek van de Schrift. Een scène die de eeuwenlange geschiedenis van het Verbond tussen God en zijn volk in een notendop samenbalt. Joodser kan het niet.
De schijnwerper haalt de hoofdfiguur van achter de coulissen: Jezus als leraar. Het boek wordt Hem aangereikt. Hij rolt het open en leest een passage voor uit Jesaja waarin de profeet het heeft over de komst van de Messias.

Zijn dorpsgenoten in de synagoge zijn onder de indruk. De laatste tijd deden over die Jezus een aantal geruchten de ronde. Hij was een tijdje uit de circulatie geweest. Naar het schijnt had Hij in de woestijn gezeten waar vreemde dingen zouden gebeurd zijn. Sommigen fluisteren zelfs over contacten met de duivel! Het fijne weten ze er niet van. Maar die geruchtenmolen doet hen wel nieuwsgierig uitkijken naar dit eerste publieke optreden sinds zijn terugkeer. Maar Hij doet het goed. Hij lijkt wel wat veranderd. In positieve zin dan. Wat zelfzekerder geworden.

De voorlezing loopt naar z’n einde. Ze horen Jezus zeggen: “en Hij die gezonden is, zal een jaar afkondigen dat de Heer welgevallig is”. Hij rolt het boek dicht, gaat zitten om, zoals gebruikelijk, de tekst toe te lichten. Hij doet zijn mond open en zegt: “Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt, in vervulling gegaan”.
Verwarring en verbazing alom. Hun hele geschiedenis lang hebben de joden verlangend uitgekeken naar de komst van de Messias… en nu komt die dorpsgenoot eventjes vertellen dat die tijd van wachten en verwachten voorbij is, dat de Messiastijd nu is aangebroken. Wie durft nu zoiets zeggen? Is dát de zoon van Maria en Jozef? Die is op zijn kop gevallen zeker? Hij lijkt wel bezeten, alsof een ander van Hem bezit heeft genomen.

Een halve pagina tekst, en het is al duidelijk dat Lucas een groot auteur is. Terwijl hij vertelt over de verwarde reacties van Jezus’ dorpsgenoten, ruim 40 jaar voordien, vraagt ook de lezer zich af wie Jezus is. Een stimulans om verder te lezen.

In die halve pagina maakt Lucas ook duidelijk wat je van zijn evangelieboek mag verwachten: geen afstandelijke biografie maar een geëngageerd geloofsgetuigenis met als invalshoek: je mag de figuur van Jezus niet loshaken van de door het jodendom langverwachte Messias. En tegelijk zet die Jezus een punt achter die verwachting: het is zover; wat verwacht werd, wordt nu werkelijkheid.

Ja, Jezus spreekt de taal van een bezetene. Ja, een ander heeft van Hem bezit genomen; Hij verkondigt zichzelf niet. Zijn woorden laten God aan het woord. Wat Jesaja destijds over de Messias profeteerde, mag Jezus in de ik-vorm uitspreken: “De Geest van de Heer rust op Mij. Hij heeft Mij gezonden om een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is”.

‘Een jaar dat de Heer welgevallig is.’ Dat klinkt ons vaag en vreemd in de oren. Niet in de joods-christelijke oren van toen.
Zo’n ‘jaar dat de Heer welgevallig is’, ook wel heilig jaar of jubeljaar of genadejaar genoemd, was voorzien door de Wet van Mozes (Lev. 25,8-55). Zeven heeft iets van een heilig getal. Zeven maal zeven jaren lang ging het leven door met zijn ups en downs. In het jaar daarop, het 50ste jaar, programmeerde de joodse kalender een soort ‘grote kuis’-jaar, een jaar waarin alles en iedereen tot rust mocht komen, waar men in het reine moest zien te komen met zichzelf, als individu en als volk. Gestraften kregen amnestie, wat vervreemd was moest worden teruggegeven, akkerland werd rechtvaardig herverdeeld, slaven kregen de vrijheid. Zelfs het akkerland werd een jaartje rust gegund na zeven maal zeven jaren vruchtbaarheidsinspanning. (Het ‘Jaar van Barmhartigheid dat paus Franciscus heeft afgekondigd, is hierop geïnspireerd.)
De Wet van Mozes schreef zo’n sprookjesjaar van menslievendheid wel voor… maar – en dat zal u niet verwonderen – in de praktijk kwam daar niet zoveel van terecht. ‘Dat wordt anders als de Messias komt!’, had Jesaja gezegd. Hij zal ons leven en de samenleving grondig vernieuwen. Hij zal een ‘jaar dat de Heer welgevallig is’ afkondigen, een jaar dat niet één jaar maar eeuwig zal duren. In die Messiaanse genadetijd zullen armen de Goede Boodschap te horen krijgen, zullen gevangenen worden vrijgelaten, zullen blinden zien en verdrukten opnieuw vrij kunnen ademen.

Van deze profetie van Jesaja zegt Jezus, op de dag van zijn eerste publieke optreden: “Dit schriftwoord is vandaag in vervulling gegaan”, die Messiaanse tijd is nu aangebroken. Jezus, de Messias dus. Daarmee is voor Lucas alles gezegd. Wat hij verderop schrijft is niets anders dan een nadere uitwerking daarvan: hoe Jezus gestalte gaf aan die Messiaanse belofte; hoe Hij in zijn spreken en doen die genadetijd verwerkelijkte; hoe Hij de fundamenten uittekende van het komende Rijk Gods op aarde.

Met zijn geschrift wil Lucas zijn geloofsgemeenschap aansporen om de nieuwe tijd die in Jezus begonnen is, verder te zetten. Het Messiaanse ideaal had met Jezus’ kruisdood een flinke opdoffer gekregen. Lucas wil zijn mensen over dat dieptepunt heen tillen. De nederlaag van het kruis is geen eindpunt maar het begin van een nieuwe fase. De Geest van Jezus leeft; Hij wil nieuwe toekomst openen door zich te vermenigvuldigen in nieuwe profeten.

Om zijn mensen ervan te overtuigen dat dit kan en moet, schreef Lucas nog een tweede boek, ons bekend als ‘Handelingen van de Apostelen’. Daarin laat hij zien hoe de eerste generatie christenen in de post-Jezustijd die Messiaanse lijn heeft doorgetrokken. Dat voorbeeld moeten wij navolgen door elkaars redders te zijn, elkaars verlossers te zijn, elkanders lasten te dragen, door levensruimte te scheppen voor mensen die klem zitten. Volgelingen van Jezus moeten oog hebben voor wat onaanzienlijk is. Ze mogen zich niet blind staren op datgene waar de wereld naar opkijkt: macht, bezit, roem. Wie zich daardoor niet laat afleiden zal steeds beter gaan inzien waar het in het leven écht om draait, wat God met ons voor heeft: namelijk tot voltooiing brengen wat Hij, eerst in Jezus, en vervolgens in ons, begonnen is.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.