3e zondag door het jaar B 2017 p

  21.01.2018                  (Viering)

Kom achter Mij aan
 [Mc. 1,14-20]
1. Simon, Andreas, Jacobus en Johannes. Zeg maar: Mon, Dries, Jacques en Johan, vier doodgewone mensen. Soms doet men het voorkomen alsof Jezus zijn apos­te­len ging zoeken in de marge van de samenleving. Dat geldt misschien voor de tollenaar Mattheüs, maar niet voor Mon, Dries, Jacques en Johan. Die vissers be­hoorden zeker niet tot de onderlaag van de bevolking. Ze waren lang niet onbemid­deld. Misschien geen grote onderne­mers, maar in ieder geval wel KMO-ers. Het familiebe­drijf dat vader Zebedeüs had opge­bouwd, mocht er wezen. Jacques en Johan werkten in de zaak, en mis­schien nog andere gezinsleden. Daarnaast hadden ze ook nog arbeiders in dienst. De Zebedeüssen waren mensen met een zekere sociale status, en – wie weet – misschien hadden ze hun villa in iets Schilde-Bergen-ach­tigs in het Gali­lea van toen.
Om maar aan te geven dat Jezus tot ieder van ons kan zeg­gen: “Kom achter Mij aan”.

2. Johannes de Doper hield zich op in buurt van de Jor­daan. En de mensen trokken daar naartoe om er het doop­sel van bekering te ontvangen. Jezus wacht niet tot de mensen naar Hem toekomen. Hij gaat zelf naar hen toe – daar waar ze te vinden zijn. God is niet alleen werkzaam binnen kerkmuren; overal kun je Hem ontmoeten. Hij kan je aan­spreken op ieder moment van de dag, waar en waarmee je ook bezig bent. Die eerste leer­lingen waren geconcen­treerd met hun netten bezig toen een passeren­de vreem­deling plots zei: “Kom achter Mij aan”.

3. “Ze lieten alles vallen en volgden Jezus”, staat er. Het lijkt wel een impulsieve, weinig door­dachte beslis­sing. Je verwacht dat niet zo direct van hard werkende mensen met enige com­mer­ciële spirit. Mis­schien loopt onze evangelist Marcus hier een beetje te hard van stapel. Want elders zijn er aanduidingen dat de aposte­len niet ‘zonder meer’ have en goed in de steek lie­ten maar dat ze hun beroepsbe­zighe­den hebben voort­gezet. Dat hoeft niet in tegenspraak te zijn met “Kom achter Mij aan”. De meeste mensen die Jezus willen volgen hebben een job, een huishouden, zijn getrouwd en hebben kinderen. Jezus spreekt mensen aan op straat, thuis of op het werk, niet om ze daar weg te halen maar omdat ‘achter Hem aan komen’ juist dáár moet gebeuren.
Trouwens, of Mon, Dries, Jacques en Johan al of niet hun schepen achter zich hebben gelaten, doet niet zoveel terzake. Waar het om gaat is dat zij zich onmiddel­lijk bekeer­den, om­keer­den, zich naar Jezus toekeerden, dat zij zich zozeer en zo in­drin­gend door Hem voelden aangesproken dat zij hun levens­filoso­fie radicaal omgooiden, en van dan af op een heel andere manier gingen denken, en tegen het leven aankijken.

4. Dat klinkt mooi, maar het blijft vaag. Wat is die ‘andere’, die ‘betere’ manier om tegen het leven aan te kij­ken? En wie of wat zet dat me­chanisme van heroriëntatie in beweging?
In onze evangelielezing werd dat proces op gang gebracht door een vreemdeling die die vissers aansprak. Daarop kun je op twee manieren reageren:
– ofwel die stem negeren en ijve­rig verder doen waarmee je bezig bent;
– ofwel het hoofd oprichten en die vreemdeling aankijken.
De eerste mogelijkheid doet me denken aan gelovigen die, vroom teruggeplooid in zichzelf, ijverig op hun eigen zielenzaligheid gefixeerd zijn. “Lieve God, ik heb gezondigd: gerod­deld, ge­vloekt, slechte gedachten gehad; ik neem me voor dat nooit meer te doen”. Uiteraard is dat niet zinloos, maar het heeft iets ‘kleins’, betrok­ken op je­zelf, het redu­ceert ons geloof tot gemorali­seer, tot ‘wat niet mag’. Braaf zijn of er zwaait wat: hel en verdoeme­nis, en als het meezit een paar jaartjes vage­vuur. Zó je chris­ten-zijn beleven heeft iets terneerdruk­kends, iets beang­sti­gends, angst voor de straf. Dat straalt geen blijheid uit, geen goedheid. En daar gaat het Jezus en zijn ‘goede boodschap van God’ toch om: een boodschap die mensen een hart onder de riem steekt, hen doet opfleu­ren.
Onze vier vissers hebben die stem niet genegeerd, maar het hoofd opgericht en Hem die hen aansprak in de ogen gekeken. Hun blikrichting brak de beslotenheid van hun privéwereld open. Hun aandacht verplaatste zich naar de ­we­reld buiten hen. Ze hadden oog en oor voor de vreemdeling die voor hen stond. Pas dan kon die vreemdeling tot hen zeggen: “Kom achter Mij aan”.

5. Op dat moment wisten zij nog niet wie die vreemdeling echt was, en konden zij zich bij “Kom achter Mij aan” weinig voorstellen. Om dat te verdui­delijken legt Marcus Jezus een mooie woordspeling in de mond: “Kom achter Mij aan, heren vissers. Ik zal jullie tot ­vissers van mensen maken”.
Dat betekent niet – zoals vroeger wel eens gezegd werd – mensen aan de haak slaan, zieltjes binnenrij­ven. Wel: mensen opvis­sen, mensen uit de put halen, mensen bevrijden uit de gevange­nis van hun mise­rie, van hun verleden, voor hen toe­komst openen. Als jullie Mij volgen, bedoelt Jezus, worden jullie vreugdezaai­ers, zullen jullie heil en verlossing bren­gen aan mensen die aan de kant geschoven worden, die zichzelf niet kunnen of niet mogen zijn. Als je zó mensen opvist, metterdaad ‘goed nieuws’ uit­draagt, dan maak je mensen ten diepste blij. Van die blije Jezus­boodschap “Kom achter Mij aan”, fleuren mensen echt op!
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.