3e paaszondag C 2019 p

 5 mei ’19               (Viering)

De rehabilitatie van Petrus
(Joh. 21,1-19 ; Hand. 5, 27b-32, 40b-41)

Paasfeest, paasmaal, paashaas, paasklokken, paaseieren, paasbloemen, paasmarkt, een paasvakantie, gekleed zijn op zijn paasbest… Allemaal samenstellingen met het woord ‘pasen’ die een sfeer oproepen van feestvieren, van vreugde en genieten. Het kerkelijk hoogfeest van de verrijzenis is uitgegroeid tot een hoogfeest voor de hele samenleving, gelovig of niet. Vraag het maar aan de commercie en de touroperators.
Maar ten tijde van het allereerste paasfeest, was van feestgedruis niet veel te merken. Het lege graf was de eerste opdoffer. En de sfeer in Jeruzalem was zò beangstigend dat de leerlingen achter slot en grendel wegkropen. En of Jezus aan hen verscheen of niet… veel veranderde dat niet. Waar zaten ze toen Jezus een tweede keer naar hen toekwam om de ongelovige Thomas even op zijn nummer te zetten? Als bange wezels nog steeds tussen dezelfde vier muren.

Met de tijd ebt die angst stilaan weg. En wat zien we? De een na de ander haakt af. Denk maar aan die twee die Jeruzalem de rug toekeerden en weer naar hun oude stek in Emmaüs trokken. Toen Jezus onverwacht hun pad kruiste, holden ze naar Jeruzalem terug om het aan hun collega’s te vertellen. En wat was het effect bij die anderen? Quasi geen. Moedeloosheid blijft troef. De leerlingen weten van geen hout pijlen te maken. De leegloop houdt aan. Stilaan gaat iedereen weer zijn eigen weg.

Vandaag zitten er nog een stuk of zeven bij elkaar, ergens in Galilea. Uitgepraat over de tijd van toen. En na een lange stilte hoor je Petrus diep zuchtend zeggen: “Ik ga weer vissen”. Daarmee is ook bij de anderen  de knoop doorgehakt: zij gaan mee aan boord. Ze hebben een punt gezet achter hun apos­telschap, de draad van vóór Jezus’ tijd weer opgenomen. Pe­trus en zijn companen zijn opnieuw doodgewone vissers.

Maar wel vissers zonder vis. Leeg blijft hun net, leeg is hun hart. De hele nacht lang.

Als het morgenlicht begint te dagen, breekt ook de dageraad van het heil door. Jezus komt opnieuw in beeld. Petrus herkent Hem niet. Dat kon ook niet, want een leeg hart kan geen Jezus herkennen. Als Petrus, op het woord van die vreemdeling, zijn netten opnieuw uitgooit, zitten die vol. Ook zijn hart loopt vol, vol van vreugde. Niet om de dik belegde boterham die hij uit het water heeft opgevist, maar omdat het bij hem begint te dagen: “Het is de Heer die mij opwacht”. En in al zijn onstuimigheid duikt hij het water in en zwemt naar Jezus toe.

Hier wordt de prelude getoonzet van Petrus’ volledige rehabi­litatie. “Jezus nam het brood en gaf het hun, en zo ook de vis.” Je hoort het aan het woordgebruik: dit is geen hap-snap-ontbijt op een doordeweekse morgen. Het gaat hier om een typische Jezus-maaltijd waar iets wezenlijks te gebeuren staat.
Jezus gaat naar Petrus toe: “Simon, houdt ge van Mij?”. Drie keer na elkaar.
Zo indringend geconfronteerd met de vraag naar de kwali­teit van zijn liefde en zijn trouw, voelt Petrus hoe wroeging hem de keel snoert: ‘Heb ik Hem wel echt lief? Ik heb Hem zo vaak in de steek gelaten:
– Ik ben heftig uit m’n krammen geschoten toen Hij zei dat Hij naar Jeruzalem wou gaan                          om er te  lijden en te sterven;
– Ik sliep toen Hij die laatste nacht in de Hof van Olijven zat te waken en te bidden;
– Nadien ben ik gevlucht, en heb Hem op de koop toe driemaal verloochend;
– Toen Hij aan het kruis hing, was ik nergens;
– En tenslotte heb ik er de brui aan gegeven.’
Schuldbewust antwoordt Petrus: “Ja Heer, Gij weet dat ik van U hou, ondanks al mijn zwakheid”. Tot deze man – helemaal geen toonbeeld van volmaaktheid – zegt Jezus: “Zorg voor mijn kudde”. Ik denk dat Petrus zijn oren niet kon geloven toen Jezus hem de leiding van de Kerk toever­trouwde.
* * *
Nu wij weten dat het in dit verhaal gaat over de stichting van de Kerk van Jezus, kunnen we ook de betekenis begrijpen van die wat vreemde zin uit onze evangelielezing. “Het net was vol grote vissen, 153 stuks, en ofschoon er zoveel waren, scheurde het net niet”. Is dit een typische vissersoverdrijving of doet Jezus hier rap-rap een wonder om te voorko­men dat de apostelen door hun te succesrijke vangst zonder buit aan wal zouden komen?
Geen van beide. Onze evangelist gebruikt hier beeldspraak die niet meer van onze dagen is.
Naar het schijnt dacht men in die tijd dat er 153 verschillen­de soorten vis bestonden. Onze tekst zegt dus: Alle vissoorten van de wereld zaten in het net. En met ‘het net’ wordt ‘de Kerk’ bedoeld. Alle ‘soorten’ mensen, zonder onderscheid, kunnen gered wor­den. De Kerk mag niemand a priori uitsluiten. Gods heil is er voor iedereen. Hij laat niemand door de mazen van het net glippen.

Toen Petrus en de zijnen het net aan land sleepten, had Gods trouw en vergevensgezind­heid hen reeds opnieuw als mensenvis­sers aangenomen, ook al waren zij zich daarvan op dat ogenblik nog niet bewust. Dat drong pas ten volle tot hen door op het moment van Petrus’ rehabilitatie.

Maar die nieuw geboden kans heeft Petrus wel met beide handen aangegrepen. Zijn onstuimige aard verloo­chent hij ook nu niet. Dat hoorden wij in de eerste lezing:
De apostelen blijven, ondanks verbod, hun Jezusgeloof verkondigen. En als zij daarvoor door de Hogepriester op het matje worden geroepen, komt Petrus wel erg scherp uit de hoek: “De Jezus, waaraan jullie zich vergrepen hebben door Hem aan het kruis te slaan, die Jezus is door God weer ten leven gewekt om aan Israël bekering te schenken. Daarvan moeten wij getuigen. En als jullie ons dat verbieden, sorry, maar wij gaan door. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.”

Ga, en doe evenzo.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Geen categorie

Comments are closed.