3e paaszondag B 2015 p

19 april ’15 (Viering)

Die moeilijke verrijzenis
(Lc 24,35-48)

Het gebeurde op een van de betere theologische facul­teiten in de Verenigde Staten. Een instelling, waar het gros van de afgestudeerden opteert voor een wetenschappelijke carrière of voor docent aan een of ander seminarie of theologische hoge­school. Het bleef dan ook niet onopgemerkt toen een van hen naar Peru vertrok om, er­gens verloren in het Andesge­bergte, als pastor te gaan werken bij een ver­pau­per­de groep indianen.
Na een jaar of drie keerde hij naar de Verenigde Staten terug voor een welverdiende vakantie. Van die gelegenheid maakte de faculteit gebruik om zijn oud-student uit te nodigen om voor de staf en de studenten iets te komen vertel­len over zijn ervaring als missionaris in Latijns Ameri­ka.
Hij begon zijn verhaal met een woord van dank voor de schitterende wetenschappelijke opleiding die hij genoten had, “maar – zo vervolgde hij – als ik zolang geaar­zeld heb om op jullie uitno­diging in te gaan, dan was dat omdat het niet prettig is te moeten zeggen dat ik met mijn dege­lij­ke theolo­gische vor­ming weinig heb kunnen aanvan­gen in het Andesgebergte.”
Hier op de faculteit wordt ‘verrijzenis’-theologie onderwezen, zei hij. Met de verrijzenis van de Heer heeft lijden en dood niet langer het laatste woord. Er is hoop en toekomst; er is uitzicht op het Rijk Gods, op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. En wij, mensen, moeten daaraan bouwen; het hier en nu tot werkelijkheid ma­ken. En als het resultaat niet direct bevredigend is, mogen wij de moed niet opgeven, want dank zij de God van belofte die Jezus uit de doden deed opstaan, is onze inzet altijd zinvol.
Over die optimistische geloofsvisie, die ik hier op deze faculteit onderwezen kreeg, was ik, als student, heel enthousiast. Maar in Peru kon ik er niets mee. Die ‘alleluja’-theologie’ kadert perfect in een rijke westerse cultuur. Hoog in het Andes­gebergte hebben arme indianen daarentegen de grootste moeite met wat ‘verrijzenis’ voor hen zou kunnen betekenen. Zij herkennen zich in de ge­kruisigde Christus. Dat valt vooral op tijdens de diensten van de Goede Week. Op Pasen zijn de kerken praktisch leeg. Maar met Goede Vrijdag komen de mensen massaal naar de viering en naar de kruispro­ces­sie. De meesten hebben een dot watten bij en een potje met olie. Als het, na lang aanschuiven, hun beurt is om hulde te bren­gen aan het kruis dan dopen zij die watten in de olie en zalven daarmee het hele lichaam van de gekruisigde Jezus. Die watten nemen zij dan mee naar huis, als een soort relikwie.
Hun eerste geloofspunt is niet de verrijzenis. Hoop op een betere toekomst hebben ze niet – allang opgege­ven of nooit gehad. Centraal in hun geloof staat Jezus die zich in zijn lijden solidair ge­toond heeft met hen, die toen één van hen is geworden. En daaruit putten zij de moed om verder te gaan.
En de missionaris sloot zijn verhaal af met een suggestie: “Ik denk dat het goed zou zijn als geleerde theologen uit welvarende landen wat meer aan­dacht zouden besteden aan het lijden waaronder zoveel mensen in deze wereld gebukt gaan – christenen zowel als niet-christenen.
* * *
Waarom vertel ik dit? De uitzichtloosheid waarin de indiaanse gemeenschap in Peru probeert te overle­ven, is verge­lijkbaar met de situatie van de apostelen in de nadagen van Pasen. Jezus: gekruisigd, dood en begraven. Zij: opge­sloten, niet in de hoge Andes maar tussen vier muren; genegeerd door de weldenkende burgerij daar­bui­ten; alle hoop de bodem ingesla­gen.

En dan gebeurt er iets. Plots staat Jezus in hun mid­den. Hun eerste reactie, zo lezen we: “In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien”, een spook. Als nuchtere vissers kenden zij het leven en zijn bedrieglijkheid maar al te goed. Zij geloofden niet in spook- en sprookjesver­ha­len. En dus veegden zij dat ver­schij­ningsgedoe als ‘hallucinatie’ van tafel. En daarmee ook het waan­beeld dat Jezus zou zijn verre­zen, iets waar­over enkele vrou­wen en die twee Emmaüsgangers maar bleven zeuren. Zoals die indianen uit de Andes, identi­fi­ceerden ook zij zich met het kruisgebeu­ren. Die reali­teit verwerken was al moei­lijk genoeg.

Zo reageerden zij in eerste instantie. Maar daar bleef het niet bij, aldus Lucas.
Die Jezus in hun mid­den… ja, het wàs ongeloof­lijk. Het ongeloof van hun gezond vissersver­stand was zo weerbar­stig dat Jezus alle middelen moest aanwen­den om hen ervan te overtuigen dat Hij leefde, dat Hij het was, dat Hij onder hen was.
Heel geleidelijk brokkelt hun weerstand af. Enerzijds: ‘Hij is het wel degelijk – Jezus, de ge­krui­sigde van Golgotha’. Maar anderzijds was het te vreemd om waar te kunnen zijn. Die dubbelzinnigheid blijkt uit dat merkwaardig zinnetje in onze tekst: “Omdat ze het van blijdschap nog niet konden geloven…”.
Als het gaat over geloofszaken moeten wij, net als die vis­sers, nuchter blijven, en er inderdaad over waken dat we onze wensen niet voor werkelijkheid nemen. Maar – en dat is de andere kant van dezelfde nuchterheid – we moeten ook durven aannemen dat er dingen zijn die haast niet te geloven zijn omdat ze té mooi lijken om waar te zijn!
Lucas getroost zich hier alle moeite om Goede Vrijdag en Pasen, lijden en leven, bij elkaar te houden. Hij die leeft, laat zijn gewonde handen en voeten zien. En dan opende Hij hun verstand en zei: “De Schriften spreken over lijden en sterven van de Messias én over zijn verrezen zijn uit de doden. En van dit alles – lijden én leven – moeten jullie gaan getuigen.”. Het specifieke van Jezus’ lijden en dood zit hem in de link met de verrijzenis: zelfs in de don­kerste duisternis waart levens­licht aan de horizon.

Terecht bekritiseerde die missionaris het eenzijdig verrijze­nisoptimisme van zijn leermees­ters. Wie het goed heeft, kan moeilijk begrijpen hoe slecht het voelt als het slecht gaat. Die barrière tussen goedhebbers en slechthebbers is echter onevangelisch. Authentiek geloof in de verrijze­nis van de Heer impli­ceert dat het zich identi­ficeert met het lijden van mensen, en hen, door daden van nabij­heid en soli­dari­teit, nieuwe hoop aanreikt die hen moti­veert om te werken aan een nieuwe toekomst. Ja, verrijzenisgeloof ìs optimis­tisch, niet als ‘alleluja’-geloof, maar omdat mensen die geloven, uitzicht kunnen bieden aan medemensen in uitzichtloze situa­ties, en hoop zaaien in hopeloze harten. Verrijzenis moet waargemaakt worden!
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.