34e zondag door het jaar – Christus Koning C 2013

Hartenkoning (Lc. 23,35-43) (Viering)
Boven het hoofd van de gekruisigde Jezus hing de reden van zijn veroor­deling: Dit is de koning der Joden, in maar liefst drie talen: het hebreeuws, en de twee wereldta­len van toen, het Grieks en het Latijn. Over die tekst was enige herrie geweest, maar Pilatus had alle kritiek van tafel geveegd: ‘Wat ik geschreven heb, blijft geschreven’ (Joh. 19,19-22). Jezus had tijdens zijn ondervra­ging immers zijn koninklijke pretenties toegegeven (Lc. 23,3; Joh. 18,17).

De Kerk heeft van Christus’ koningschap een hoogfeest gemaakt. Dat is nog geen eeuw geleden (in 1925). In het Italië van na de eerste wereldoorlog had Mussolini de Kerk beetje bij beetje haar maat­schappelijke machts­positie ontnomen. Hierover behoor­lijk geïrri­teerd schreef paus Pius XI een encycliek om de machthebbers eraan te herinne­ren dat Chris­tus de koning van het heelal is en blijft, en dat alle macht, ook de wereldlij­ke, van Hem afkomstig is en aan Hem onderge­schikt. Jaarlijks zou de katholieke Kerk Christus’ koningschap herdenken.
Het instellen van dit feest had iets van een mobilisatie van de christenheid, iets van een waar­schuwing aan het adres van de wereldlijke machten om de kerkelijke autori­teit niet uit het publieke leven te ban­nen.
Een Kerk, die Christus’ koningschap aanwendt als een middel om haar eigen machtspositie veilig te stellen, is – God zij gedankt – onze Kerk niet meer.

Ook in hoofde van Pilatus moest een koning over de nodige macht  beschikken om voor zijn volk te kunnen zorgen en vijanden van het lijf te houden. Toen hij Jezus daar voor zijn rechterstoel zag staan, beschuldigd van koninklijke ambities en opruiing tegen de keizer (Lc. 23, 2+5), had hij zo zijn twij­fels. Hij kon zich die man niet voorstellen als een ko­ning-hoog-op-zijn-paard omringd door legerscharen. Naar het schijnt was hij een week eerder per ezeltje in Jeru­za­lem aange­komen. Het was dan ook erg stom van die Jezus om tijdens zijn proces toe te geven dat hij koning was. Dat was vragen om de doodstraf. ‘Zot zijn doet geen zeer’ moet Pilatus gedacht hebben toen hij als reden van zijn veroorde­ling ‘Kon­ing der Joden’ op­schreef.

Op Golgota vonden ze het ook een belachelijke bedoening. De overheidsinstanties, van ambtswege aanwezig, de soldaten die Hem wijn te drinken gaven, en zelfs een medegeëxecu­teerde… ze konden het niet laten om met het zogenaamde koning­schap van die ‘kruis­han­ger’ de spot te drijven: “Als Gij dan toch koning zijt, begin dan maar met uzelf te redden…” (Lc. 23,35-39). Hoe kun je koning zijn als je geen respect kunt afdwin­gen? Hoe kun je voor anderen zorgen als je nog niet voor jezelf kunt zorgen?

In dat eenstemmig koor klinkt één tegenstem: “Onze straf is terecht… maar Hij heeft niets verkeerds gedaan… Vergeet mij niet, Jezus, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt” (Lc. 23,41-42). In die ‘koning van niks’ erkent de tweede moordenaar het ware koningschap van Jezus. Die erkenning valt niet toevallig samen met de erken­ning van eigen schuld. Bekering breekt zijn hart open voor de godde­lijke werkelijk­heid die incogni­to schuil gaat achter dat menselijk wrak aan het kruis. Zo ontsluiert een moordenaar voor ons het geheim achter het koning­schap van Christus: Gods ko­ningschap laat zich slechts kennen aan wie kijkt met de ogen van het hart. God als de incog­nito Harten-koning!

Harten-koningschap heeft niets met macht te maken, maar alles met ‘gezag’. Een woord van dezelfde stam als ‘gezeggen’.  De vraag waar het in ons leven om draait is deze: door wie laat ik mij gezeggen? Door hen die het in deze wereld voor het zeggen hebben? Oppor­tunistisch kiezen voor de machtigen? Of laat ik mij gezeggen door mijzelf? En dan bedoel ik niet alleen: altijd en overal eigen belangen en wensen achternalopen. Maar ook: in doen en laten zijn eigen normen hanteren; geen kwaad doen om zich van een goed plaatsje in de hemel te verzekeren; goed doen, maar zonder echt de handen vuil te maken, een aalmoes geven van zijn overvloed bijvoorbeeld.
Of laat ik mij gezeggen door het voorbeeld van Jezus die consequent koos voor solidari­teit met de kleinen, en dat tot het bittere einde toe?
In de bekende parabel over het Laatste Oordeel (Mt. 25,31-46) scheidt de Mensenzoon, die ook daar als een  koning wordt voorgesteld, de schapen van de bokken op basis van: ‘Wat je voor één van de minste broeders van Mij hebt ge­daan, heb je aan Mij gedaan’. Onze Harten-koning rust blijk­baar niet zolang er nog iemand in nood is. Al te gemakkelijk gunnen zijn volgelingen – wij dus – zichzelf een gerust geweten zolang ze geen vlieg kwaad hebben ge­daan. Waar Híj van wakker ligt – en waar wij dus van zouden moeten wakker liggen – dat is: wat voor goeds kan er worden gedaan voor hen die zoveel goeds moeten missen?
Durf ik mij écht laten gezeggen door het heil, het be­lang, de behoeften van onze incogni­to-Harten-ko­ning zoals die zich door de ogen van het hart laat herkennen in de persoon van de dakloze, het straatkind, de drugverslaafde, de gevluchte Syriër, het Tyfoon-slachtoffer, de illegale vreemdeling, of van degene die onderdak gevonden heeft in een van de instellingen waarvoor onze jaarlijkse kerstactie ‘Harten­wens’ zich inzet – een actie die dit weekend van start gaat?
Liggend in onze luie televisiezetel lopen wij dat slag van mensen gegaran­deerd niet tegen het lijf. Wij maken van ons christen-zijn een leugen als we ons niet afvragen naar wie en naar wat het hart van onze Har­ten-koning op vandaag in de aller­eerste plaats uitgaat. Met andere woorden, het is onze elementaire christelijke plicht om onze nek uit te steken voor de minsten van Zijn broeders, om, zoals Hij, harten open te breken – al wordt dat niet altijd door iedereen in dank afgenomen.

Ooit was er Iemand die dat wel consequent heeft gedaan. En ze hebben Hem erom aan een kruis geslagen. Van op dat kruis stak Hij nog zijn reddende hand uit naar diegene die zijn hart voor Hem opende: “Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het para­dijs” (Lc. 23,43). Christus-koning, onze Harten-koning.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.