34e zondag door het jaar – Christus Koning A 2014 preek

23 november 2014 (Viering)

Christus-Koning (Mt. 25,31-46 ; Ez. 34,11-12.15-17)

Wan­neer men in het oude Israël sprak over de taak en de verantwoordelijkheid van de koning tegen­over zijn volk, dan vergeleek men die vaak met de zorgende inzet van een herder voor zijn kudde. De profeet Ezechiël in onze eerste lezing, past die in zijn tijd gebruikelijke beeldspraak toe op de hou­ding van God t.a.v. zijn volk: “Zo spreekt de Heer God: Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen. Het verdwaalde dier zal Ik zoeken en het gewonde verzorgen. Ik zal mijn schapen weiden zoals het hoort”.
Dat dit beeld van ‘de herder’ gebruikt werd én voor God én voor de koning, is niet toevallig. Het koningschap werd toen gezien als een opdracht van Godswege. Daarom werd een nieuwe koning tot koning gezalfd door de hogepriester die hem toezegde dat hij voor zijn volk moest zorgen zoals God wil dat er voor zijn volk gezorgd wordt: oog hebben voor de armen, voor slachtoffers, hun schreien horen, en reage­ren met: “Ik kom er aan! Ik ben er voor jou!”. Als gezalfde Gods moest de koning bouwen aan een samenle­ving naar Gods hart, moest hij de wereld voorbereiden op de komst van de Gezalfde, de Koning die in dit ondermaanse Gods heerschappij definitief zou vestigen: de lang verwachte Messias.

‘Messias’ is een hebreeuws woord, en betekent ‘gezalfde’; in het grieks is dat ‘christos’. Jezus werd de Christus genoemd, de Gezalfde, de Messias. Binnen het joodse denkkader is de stap van Christus naar Chris­tus-Koning dus snel gezet…

In Jezus’ tijd keken veel joden gespannen uit naar de komst van die Messi­as-Koning. Maar die verwachting had in die dagen wel een specifiek politieke kleur. Het land was bezet door de Romeinen, en gehoopt werd dat die Messias-Koning het joodse volk zou bevrijden van die vreemde overheersing.

In de evangelies treffen wij verschillende verwijzingen aan naar die politiek ingekleurde visie op het koningschap. En tegelijk zien we dat Jezus zich daar telkens weer van distantieert. Een paar voorbeelden:
– Wanneer het volk, onder de indruk van de wonderbare broodvermenig­vuldiging, Hem tot koning wil uitroepen, draait Jezus zich om en verdwijnt (Jo. 6,15).
– Het apostel-broederpaar Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, lieten Jezus weten: “Meester, als Gij uw slag geslagen hebt, kunt U op ons rekenen. Wij zijn kandidaat voor het vice-premierschap.” Antwoord: “Gij weet niet wat gij vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik drink?” (Mc. 10,35-3Smilie: 8).
– Pilatus zat op hetzelfde dwaalspoor toen hij vroeg: “Zijt Gij de koning der Joden?”. “Ja, Pilatus, Ik ben koning. Maar mijn koning­schap is niet van deze wereld”. M.a.w. ‘Niet bang zijn, Ik breng uw machts­posi­tie niet in gevaar’.

Wel koning, maar niet van deze wereld. Wat moeten we ons hierbij voorstellen? Onze evangelielezing helpt ons op weg.
(Ter info: Dit Mattheüsverhaal over het ‘Laatste Oordeel’ is het sluitstuk van de allerlaatste grote toespraak van Jezus. Onmiddellijk daarna zegt Hij tot zijn leerlingen: “Gij weet dat over twee dagen het paasfeest wordt gevierd; dan zal de Mensenzoon worden overgeleverd om gekruisigd te worden” (Mt. 26,2) – het begin van het lijdensverhaal. Dat we hier te maken hebben met de laatste predikwoor­den van Jezus, geeft onze tekst een ex­tra gewicht.)
We lazen dat de Mensenzoon zal gaan zitten op zijn koningstroon om recht te spreken over alle volkeren. Als een herder zal Hij de schapen van de bokken scheiden. Zij die zich tijdens hun leven bokkig hebben gedragen, krijgen te horen: “Weg, vervoekten, weg naar het eeuwig vuur”.  En tot de anderen: “Kom, geze­genden van mijn Vader, neemt bezit van het konink­rijk dat voor jullie klaar ligt”.

Op enkele specifieke elementen uit dit alom bekend verhaal over de ‘werken van barmhartigheid’ wil ik even uw aandacht vestigen:
1.         De Koning-Wereldrechter is hier niet God maar de Mensenzoon. Jezus dus.
2.         In dit eindoordeelverhaal blijken criteria als ‘wel of niet kerkelijk-zijn’, ‘wel of niet christen-zijn’, ‘wel of niet in God geloven’ irrelevant. De Mensenzoon oordeelt hier niet op basis van het al of niet aanvaarden van bepaalde geloofswaarheden, niet op basis van de intensiteit van hun gebedsleven. Neen, de mens wordt hier beoor­deeld enkel en alleen op basis van zijn houding tegen­over zijn hulpbe­hoe­vende medemens.
3.         Heel bijzonder is wel dat het bij het ‘Laatste Oordeel’ zoals hier beschreven, het niet gaat over schuld of onschuld, enkel over straf en beloning. De schul­dvraag blijkt reeds beant­woord te zijn! Niet door de Mensenzoon op zijn rechtstoel maar door de vreemde­ling die destijds om onder­dak vroeg, door de zieke die aan troost en warmte behoefte heeft, door de derde wereld die naakt, hongerig en dorstig is. Zij zijn de juryleden; zij oordelen over schuld en onschuld – niet ná maar tijdens ons leven hier en nu. En het enige criterium dat daarbij bepalend is, is lief­de. Liefde die zich uit in concrete daden van solidariteit met de noodlijdende, zonder enige bijge­dachte over ‘verdienste’ of mogelijke ‘beloning in de hemel’. Op de oordeels­dag vragen zowel de rechtvaar­digen als de onrechtvaar­di­gen zich immers verbaasd af: “Heer, wanneer hebben wij U naakt, hongerig of dorstig gezien? Wanneer  bent  U als een vreemdeling naar ons toegekomen?”. Het antwoord is ondubbelzinnig duidelijk: de Mensenzoon gaat schuil in mensen; Hij is thuis in gebroken harten; Hij neemt de gestalte aan van de zwaksten.

De Heer die woont in den hoge is dezelfde als Hij die geboeid voor Pilatus staat. Die Heer en Koning, die wij Christus, Mensenzoon noemen, wordt nog steeds berecht, gemarteld en uitgekleed. Hij kijkt ons aan door de ogen van mensen die Hij “mijn minste broeders” noemt.
In dat soort ontmoetingen wordt over ons ‘recht gesproken’. Het ‘laatste oordeel’, het ‘hemelse gerecht’ wordt in deze tekst midden in ons dagelijks leven geplaatst. Je mag het ook omkeren: onze solidariteit, ons opkomen voor hen die honger en dorst hebben, wordt verheven tot een hemelse zaak. De Mensenzoon-Rechter maakt onze zaak met de mede­mens tot zijn zaak. Waar wij anderen tot hun recht laten komen, waar wij het opnemen voor de zwakke die ons aankijkt, daar komt God tot ‘zijn recht’.
Waar dat geschiedt, dáár – en dáár alleen – mag Christus Koning zijn.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.