33e zondag door het jaar C 2019 p

24 november 2019           (Viering)

Christus Koning?
  (Lc. 23,35-43)

Volgend weekend begint de advent. En dus sluiten we vandaag het kerkelijk jaar af, traditioneel met het feest van Christus Koning. Een recente traditie, nog geen eeuw oud. Dit feest werd pas in 1925 ingesteld door paus Pius XI. Het was zijn bedoeling om daarmee een halt toe te roepen aan de groeiende ontkerstening in de wereld. Hij wilde staten, instellingen, verenigingen, alles wat zich op  het sociale terrein bewoog, eraan herinneren dat zij Gods alomvattende heerschappij dienden te erkennen. En liefst ook die van de Kerk. Veel heeft het niet uitgehaald.

Dat is niet enkel een achterafse vaststelling. De kerk had toen al kunnen weten dat die motivatie niet zou aanslaan. Kijk maar eens naar de evangelielezing die we daarnet hebben gehoord. Wat gebeurde daar allemaal rond het kruis van Jezus? “De overheidsinstanties lachten Hem uit en zeiden: ‘Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf maar eens redden als Hij de Messias van God is, de Uitverkorene’”. Toen reeds waren de overheden helemaal niet onder de indruk van dat koningschap van Christus, zoals dat uitdrukkelijk in drie talen vermeld stond bovenop Jezus’ kruis.
En ook het leger had van Christus Koning geen hoge pet op: “De soldaten dreven de spot met Hem; kwamen Hem wijn brengen en zeiden: ‘Ben jij de koning van de joden? Red dan jezelf!”.
De overheid lachte Hem uit, de soldaten bespotten Hem… Veel positiefs viel er uit officiële hoek niet te verwachten, integendeel, de reacties waren afwijzend, zelfs vijandig.

Voor die afwijzende houding van de wereldlijke instanties ten aanzien van het koningschap van Christus zijn wel verzachtende omstandigheden aan te voeren. Jezus zelf was ook niet zo koningsgezind als het Hemzelf betrof.
Toen Hij in de kribbe lag, kwamen er wijzen uit het Oosten die de pasgeboren koning der Joden wilden zien. Op dat eerbetoon kon die twee weken oude baby nog niet reageren.
Later, toen na de broodvermenigvuldiging ook het volk Hem tot koning wilde uitroepen, vluchtte Hij de bergen in. Die zijn gek geworden zeker?
En wanneer de landvoogd Pilatus Hem vraagt: “Zijt Gij koning?”, zegt Jezus “Ja, koning ben Ik”. Maar de toelichting die Hij daarbij geeft, heeft niets met koningschap te maken maar wel met profeet-zijn: “Met geen andere bestemming ben ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid”.
Jezus stond dus duidelijk op gespannen voet met het koningschap waarmee anderen Hem wilden opzadelen.

Maar over het koninkrijk van God geraakte Hij niet uitgepraat. Had Jezus in onze tijd geleefd, dan had Hij daarover wellicht een aantal reclamespotjes laten maken. De scenario’s daarvoor kun je zo uit de evangelies plukken.
Het koninkrijk van God is als een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een reus van een boom waarin vogels van allerlei pluimage zich gezellig kunnen nestelen.
Het koninkrijk van God is als een bruiloft waar de genodigden het laten afweten, maar waar hun plaatsen met plezier worden ingenomen door bedelaars, daklozen en vluchtelingen.
Voor dàt koninkrijk loopt Jezus warm. Hij kan er uren over praten, zijn hart is er vol van. Hij heeft er zelfs zijn leven voor over.
En dus hangt Hij daar, aan het kruis geslagen door hen die niets van zijn boodschap hadden begrepen.

In die vijandige sfeer rond het kruis duikt er plots toch begrip op voor wie Jezus echt was. Het komt – we hadden het kunnen verwachten – uit onverwachte hoek. Met Hem werden ook twee misdadigers gekruisigd. Een van hen lacht en spot mee met de overheidsinstanties en de soldaten: “Ben jij die Messias-koning? Red dan jezelf en ons erbij!”.
Maar de andere is niet alleen overtuigd van Jezus’ onschuld, maar sluit zich gelovend aan bij Jezus’ visie. Hij neemt het woord ‘koning’ niet in de mond, maar spreekt, zoals Jezus altijd deed, over ‘het koninkrijk Gods’: “Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt”. En Jezus antwoordt: “Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs”. De allereerste heiligverklaring ooit uitgesproken.

Op dat hele gebeuren stond het volk te kijken. Wij, lezers van het evangelie, kijken mee, geboeid door wat die man aan het kruis deed, zei en onderging. Laten we ons niet blindstaren op het koningschap van Christus. Dat kan tot misverstaan leiden. Maar laten we ons, geleid door Hem die de Weg, de Waarheid en het Leven is, richten op het koninkrijk van God, op dat Rijk waarin niet ‘macht’ centraal staat maar dienstbaarheid, dienstbaarheid die niet zichzelf maar anderen wil redden en solidair blijft met de minsten.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.