33e zondag door het jaar B 2018 p

18 november 2018

Eind goed, al goed (Mc. 13,24-32 ; Dan. 12,1-3)

Als de Bijbel het over het einde van de wereld heeft, voelen velen zich wat ongemakkelijk. Dat heeft onder meer te maken met die verwoestende rampenscenari­o’s, met het vreemd religieus taalge­bruik (wat moeten we ons bijvoorbeeld voor­stellen bij “hemelse machten die wankelen”?). Maar het heeft evenzeer te maken met het feit dat er ook sprake is van een  soort oordeel waar alles zo hard en definitief klinkt. Het gaat daar enkel maar over goeden en slechten, terwijl wij geneigd zijn onszelf daar ergens tus­senin te situeren. Maar dat eindoordeel kent geen ’tussenin’. Het wordt dus bang afwachten in welke rich­ting voor ons de balans van de eeuwig­heid zal door­slaan.

Mocht de evangelist Marcus momenteel in onze Witte Kerk zitten luistervin­ken, dan zou hij nu recht­springen en ons toeroepen: “Sorry mensen, maar er is niets om bang voor te zijn. Ik heb jullie juist moed willen inspre­ken! Hou vol, want God maakt ‘eind goed, al goed’.”
Als het zo eenvoudig is, waarom doen onze evangelies dan zo moeilijk over het einde van de wereld? Het spijt mij, maar dat is een wat ingewikkeld verhaal. Ik probeer het zo eenvoudig mogelijk te houden, maar het zal wel een kleine inspanning vergen om het te blijven volgen.

Ik begin met de voorgeschiedenis van onze eerste lezing. In het Oude Testament keek Israël reikhalzend uit naar de komst van de Messias. Aanvanke­lijk geloofden de joden dat er iemand uit hun midden zou opstaan. Die zou de leiding van het volk op zich nemen, de hele wereld veroveren en die op een ideale manier besturen. Overal zou recht­vaardigheid en vrede heersen.
In de tweede eeuw vóór Christus was Israël een tijd lang bezet door de Syriërs. Die hadden in Jeruzalem een marionetten-koning geïnstalleerd, Antiochus Epifanes. Die man had nogal een hoge dunk van zichzelf. Hij hield grote kuis in de tempel en maakte er een cultus­plaats van voor zichzelf. Wie weigerde te offeren op het altaar van de nieuwe god-koning werd gruwe­lijk ter dood ge­bracht. Elke vorm van verzet werd bloedig onderdrukt en vooral, de ontheiliging van de tempel was voor gelovige joden een gruwel. Daaruit groeide de overtuiging: ‘Zulke praktijken kan Jahweh toch niet blijven dulden. Onze God is rechtvaardig, en dus zal Hij eerst­daags zijn Messias doen opstaan om ons uit de klauwen van Antiochus te bevrijden.’
Maar er stond in die dagen geen Messias op. En steeds meer joden begonnen te twijfelen aan God en zijn rechtvaardigheid. Midden die ge­loofs­crisis klinkt het woord van de profeet Daniël – de tekst van onze eerste lezing was daar een stukje van. Hij wil zijn volk moed inspre­ken en vertelt een visioen. Let wel, Daniël is geen toekomst­voor­speller maar een pro­feet, niet iemand die vertelt wat er in de toekomst te gebeuren staat maar iemand die uitlegt waarom er een eind zal komen aan de macht van het kwaad en waarom recht hoe dan ook zal zegevieren. ‘Hou stand’, zegt hij, ‘en twijfel niet aan de recht­vaardigheid van onze God. Dat Messiaanse rijk van rechtvaardig­heid en vrede komt er beslist! God zal zijn hemelle­ger naar de aarde zenden onder aanvoering van opperbevel­hebber, de aartsengel Michaël. Er zal een hevige strijd ontbranden tussen goed en kwaad, zo hevig dat de hele schep­ping, de hele kosmos op zijn grond­vesten zal daveren. Maar het hemelle­ger zal zegevieren. En er zal een nieuw tijd­perk aanbreken. God zal vanuit de hemel zijn Messias zenden, die een rijk zal vesti­gen waarin enkel plaats is voor wat goed is. Daar zal recht geschieden: wie destijds verdrukt werd, zal eeuwig heil ten deel vallen en de verdrukkers van toen worden verdoemd. En dat geldt niet alleen voor de leven­den maar ook voor hen die reeds gestorven zijn, want zij zullen ontwaken uit het stof.’
U hoort het, de profeet Daniël schildert zijn visioen met een grove borstel. Maar zijn boodschap is duidelijk: God garan­deert ‘eind goed, al goed’, en die geloofszekerheid moet de joden die leven in een wereld waar het kwaad de overhand heeft, op de been houden.

In wat Daniël hier over de Messias zegt, zitten, in verge­lijking met vroeger, enkele nieuwe elemen­ten. Hij heeft het niet meer over een aardse Messias, niet meer over iemand die uit het volk opstaat en een rechtvaardig wereldrijk uitbouwt. In zijn visioen is de Messias een Godsge­zant die uit de hemel neerdaalt, voor levenden en doden een Godsrijk zal vestigen nadat het hemels le­ger, niet in een aardse maar in een kosmi­sche strijd, het kwaad zal ver­nie­tigd hebben.

Deze nieuwe interpretatie van de te verwachten Messias geraakte steeds meer ingebur­gerd in het joodse geloof.. Vooral toen, na de Syriërs, Israël in handen viel van de Romei­nen die zo machtig waren dat het steeds onwaar­schijnlijker werd dat er een wereld­lijke Messias zou kunnen opstaan om het heft in handen te nemen. Ten tijde van Jezus was de meerder­heid van de joden ervan overtuigd dat het kwaad zo stevig veran­kerd zat in de wereld dat alleen een direct in­grijpen van Godswege, dus van bovenuit, daaraan een einde kon maken.

Op deze nieuwe Messiasopvatting bouwt de evange­list Marcus verder. Ook hij heeft het over een kosmische strijd: hij maakt er een soort omge­keerde schepping van: de lichtbron­nen die God geschapen heeft – zon, maan en sterren – worden gedoofd. Wat hij schrijft over de hemelse machten, over de Men­sen­zoon op de wolken en over engelen heeft hij letterlijk afgeschreven uit het Oude Testament[1]. Dat is geen luiheid of gebrek aan inspi­ra­tie. Marcus wil op die manier een link leggen tussen de door de profeet Daniël verwoorde joodse Messiasver­wachting en Jezus. Hij wil zijn gelovigen duide­lijk maken dat de Messias waar de joden naar uitkeken, reeds verschenen is in de persoon van Jezus Christus. In Hem is de belofte van de profeet vervuld. In Jezus is de macht van het kwaad reeds in principe overwonnen. En bij zijn wederkomst op het einde der tijden zal zich dat in al zijn glorie mani­feste­ren, zoals de profeet heeft gezegd.

Toch lijkt Marcus een beetje geschrokken te zijn van de vele rampen waarmee Daniël het einde der tijden heeft beschreven. Alhoewel hij stukjes tekst van hem overneemt, houdt Marcus toch niet van de bombasti­sche beeldspraak van de profeet. Om dat wat af te zwakken gaat hij de poëtische toer op: Het einde der tijden is zoiets als de len­te, een vijgenboom die begint te botten, knoppen die opensprin­gen. Als je dat ziet, dan beklaag je de knop niet omdat hij openscheurt onder de druk van nieuw leven. Integendeel, gevoelens van blijdschap overheersen, want je weet: de zomer is op komst. Zo moet je ook niet te zwaar tillen aan die einde-van-de-wereld-rampenscenario’s: wat er dan te gebeuren staat, zijn slechts overgangsperikelen, het schurend scharnier­tje van de deur die openzwaait zodat we kunnen binnentreden in het Rijk van vrede en gerechtigheid waar Christus koning zal zijn.

Aan het slot van onze evangelietekst zet Marcus ons opnieuw met onze twee voeten op de grond: Laat u niet afleiden om van je leven wat te maken, want “nie­mand weet wanneer die dag of dat uur aanbreekt, de engelen niet, zelfs niet de Zoon, maar alleen de Vader”. Het is nog geen zomer. En in de lente kan het weer nog heel wisselvallig zijn. Als het eens dondert en bliksemt in je leven, geen paniek! Je weet immers dat ons le­vensboek eindigt op een ‘happy end’. Maar intussen moet je wel de handen uit de mouwen steken, want hoe meer onze wereld Rijk Gods is geworden, hoe minder kwaad er op het einde der tijden moet vernietigd worden. Want onze God wil immers dat op het eind alles goed is.

Marc Christiaens o.p.

    [1] over de hemellichamen: vgl. Jes. 13,10 en 34,3; Mensen­zoon op de wolken: vgl. Dan. 7; engelen die de uitverko­renen verzamelen: vgl. Deut. 30,3-4 en Zach. 2,10-17.
g

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.