33e zondag door het jaar A 2014 preek

16 november 2014 (Vierting)

Het ‘Matteüs-effect’. (Mt. 25,14-30)

Voor mensen die een beetje geïnteres­seerd zijn in economie is het ‘Matteüs-effect’ een bekend begrip. Een bedrijf of een land dat goed boert, heeft goede papieren om het nog beter te doen; waar het minder goed begint te gaan, dreigt het gevaar hele­maal weg te glijden. Een economische wetmatigheid die rijken rijker maakt en armen armer.
Waarom noemt men dat ‘het Matteüs-effect’? Op basis van onze Matteüsparabel over de talen­ten. De heer neemt hier de derde slaaf zijn ene talent af om het aan die met zijn tien talen­ten te geven, en zegt: “Aan ieder die heeft, zal gege­ven worden. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft”. Het is op zijn minst verrassend, om niet te zeggen ergerlijk, dat men, om deze plat kapita­lis­tische wetmatig­heid te benoe­men, inspiratie vond in het evangelie. Dat heeft niets met de ‘Blij­de’ bood­schap te maken. Jezus nam het immers op voor de zwakke­ren.

Net als vorige week, toen we de parabel van de bruidsmeisjes lazen, zit de relevantie van deze parabel niet in het verhaal op zich, maar in datgene wat Jezus ons verhalender­wijze aan het verstand wil brengen. En dat is vandaag dezelfde boodschap als vorige week: Hoe moeten we leven in afwachting van de weder­komst van de Heer?

Onze parabel speelt zich af in de wereld van het geld. Een bankier vertrouwt zijn bezit toe aan de goede zorgen van zijn ondergeschikten. Elk krijgt een enorm kapitaal te beheren, want een talent in de Bijbelse tijd is ongeveer 60 kilo aan goud of zilver. Naargelang zijn bekwaamheid, krijgt ieder vijf, twee of één talent te beheren.

Dat die ongelijke verdeling jaloersheid in de hand kan werken, is geen uit de lucht gegrepen veronderstel­ling maar strookt niet met de teneur van onze parabel. De klemtoon ligt niet op ‘hebben’ – meer of minder – maar op ‘gevolmachtigd beheer­der mogen zijn’. Ieder naar zijn bekwaamheid, staat er. Elke mens heeft zijn bekwaamheden en mogelijk­heden, zijn grenzen en beperkingen. Wie meer mogelijkheden heeft en daarom meer ontvangt, krijgt weliswaar een extra kans, maar daarmee ook extra verantwoorde­lijkheid. In die zin kan er, ondanks de verschil­len, niet van onrechtvaardigheid gesproken worden. God neemt ons zoals we zijn. Hij is geïnte­resseerd in de vruchten die ons leven zal afwerpen op grond van onze eigen mogelijkheden. ‘Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft’. Niemand wordt overvraagd, niemand wordt onder­gewaar­deerd.

Zo heeft God de kaarten verdeeld. Het is nu aan ons om de uitdaging aan te gaan. We zijn gevolmachtigd. We kunnen dus autonoom bepalen wat we met de ons toever­trouwde talenten gaan doen. Die keuze, zo blijkt uit het verdere verhaal, zal beslissend zijn voor onze toekomst. We kunnen niet niet kiezen. Want niets doen is ook een keuze. Denk aan de derde man uit ons verhaal.
Hij kiest ervoor om geen risico te nemen. Hij heeft van zijn heer geen hoge pet op: hij vindt hem een hardvochtige vent die enkel geïnteresseerd is in zijn eigenbelang; die zijn ondergeschikten straft als ze iets fout doen, en alles inpikt als ze het goed doen. Met beheren in zijn naam is er niets te winnen, wel te verliezen. Dus, zo beslist de derde, kan ik maar beter op veilig te spelen. Hij waagt niet en hij wint niet. Zijn ene talent gaat onder de grond. Daarmee graaft hij, levend en wel, zijn eigen graf. Omdat hij niets wil verliezen, verliest hij alles.

Zijn twee collega’s steken wel de handen uit de mouwen – ‘meteen’, zo staat er. Zich ten volle bewust dat ze ‘slechts’ gevolmachtigd beheerder zijn en daarom de levensfiloso­fie van hun heer te respecteren hebben, gaan ze aan de slag om het hun toever­trouwde kapitaal maximaal te laten renderen. Ze piekeren er niet over of ze veel of weinig te bieden heb­ben. Ze geven wat ze zijn.
De levensfilosofie van onze Heer respecterend, hebben wij de Blijde Bood­schap uit te dragen die het welzijn en het geluk van allen op het oog heeft. Evange­lisch leven kan dus nooit een strikt persoon­lijke zaak zijn, is geen binnen­ka­mers pro­ject dat voor de boze buiten­wereld dient afgeschermd te wor­den. Een lamp dient niet om onder een koren­maat te verbergen, maar om op een kande­laar te zetten zodat allen in huis van het licht kunnen profiteren (Mt. 5,15). Dat onze samenleving niet zit te wachten op ‘actief je geloof doen’, kan best zijn. Dat dit soms wringt en fricties geeft, is te ver­wachten. Dat ons geloof daardoor wel eens een deuk kan oplopen, is best moge­lijk. Dat risico moet je erbij nemen. Juist omdat je dat risico aan­durft, omdat je de aan jou toever­trouwde verant­woorde­lijkheid durft opnemen, krijg je jezelf en je eigen geloof gerijpt en verrijkt terug.

Bij zijn terugkeer konden die twee aan hun heer het dubbele teruggeven van wat ze ontvangen hadden, het resultaat van het samenspel tussen wat hun was toevertrouwd, en wat ze ermee gedaan hadden. Ze hebben het vertrouwen dat in hen gesteld werd, niet beschaamd.
Maar daarmee is de kous niet af. Het laatste woord is niet ‘Goed zo, je hebt gedaan wat je moest doen’. Het laatste woord is aan de vreugde. Beiden krijgen te horen: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, kom delen in de vreugde van je heer. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen”.
De draagwijdte van dit laatste zinnetje – “over veel zal ik je aanstellen” – kan ik niet overzien. Het lijkt erop dat wij, eens opgenomen in de vreugde van de terugge­keerde Heer, een nog grotere verantwoordelijk­heid toegeschoven zullen krijgen. Wat dat zou kunnen inhouden, weet ik niet, en ik lig daar momenteel ook niet wakker van. Ik heb voldoende vertrouwen om niet te speculeren over wat mij na mijn dood te wachten staat.
Maar voor het leven hier en nu is de boodschap van dit parabelverhaal uit de geldwereld prikkelend en stimule­rend. Stel je maar eens voor dat ‘de wakkere kinderen van het licht’, waarover Paulus het had in onze eerste lezing (1 Tess 5,5-6), met de efficiëntie en het raffinement van het zakenleven, zich zouden toeleggen op het realiseren van echte menselijkheid. Stel je maar eens voor dat zij hun talenten, met het vernuft van de bankwe­reld en de precisie van de wapenin­dustrie, zouden inzetten voor wereldwijde humaniserende ontwikkelingen zoals onderwijs, gezond­heidszorg, voedselvoorziening, huisvesting, gezonde ecologie…
Zou het niet dát geweest zijn waarvan Jezus droomde toen Hij deze parabel vertelde?
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.