32e zondag door het jaar C 2019 p

10 november 2019        (Viering)

Een trouwe God van Leven
[2 Makk. 7,1-2.9-14 ; Lc. 20,27-38]
Allerheiligen, Allerzielen, vallende bladeren, regen… in stille momenten van een herfstige novembermaand zweven onze gedachten als vanzelf rond vergan­ke­lijkheid, ein­dig­heid, dood… En is er nog iets ‘erna’?
Vandaag staan mensen huiverig tegenover geloof in een hierna­maals. Velen hebben zo hun twij­fels. Anderen denken dat er toch wel iets moet zijn. Maar wat? Wat moet een mens zich daarbij voorstel­len? Sommigen importe­ren ant­woor­den uit oos­terse wijs­heid: het geloof in reïncar­natie bv. Maar de meerder­heid erkent schoor­voe­tend: ‘Ik weet het niet’. Wat niet hetzelfde is als: ‘Het laat me koud’. Want de vraag blijft ons bezig houden. Ik verwijs enkel maar naar de bloemenzee dezer dagen op onze kerkhoven. Als we zo massaal onze doden gedenken, is dat toch een teken dat ons diepste bin­nenste moeilijk kan aanvaar­den dat voorbij de grens van het leven alles en ieder­een verdwijnt in de leegte van het grote Niets.

Over deze heikele kwestie gaat het in onze lezingen. Maar het is wel de vraag of dat vreemde, bijna surrea­lis­tische twistge­sprek tussen Jezus en de Saddu­ceeën ons veel wijzer maakt. Een beetje ach­tergrond­infor­matie lijkt wenselijk om de draag­wijdte ervan te kunnen in­schatten.

In het Nieuwe Testament worden de Sadducee­ën niet zo vaak vernoemd. Het was een conserva­tieve, religieus-politieke strekking binnen het Jodendom van vooral aristocraten, rijke lui en welgestelde priesters. Zij keken neer op het gewone volk, en de antipa­thie was weder­zijds. Ze hielden vast aan de oude ge­schriften van Mozes, de Thora, bij ons beter bekend als de eerste vijf boeken van het Oude Testa­ment. Al wat daarna kwam, zoals de verkon­diging door de profeten en de latere geschriften waarin het joodse geloof verder werd uitgediept, wezen ze af als nieuwlichte­rij. Ze geloofden dus ook niet in een opstanding of in een leven na de dood – een geloofsin­zicht dat in de tweede eeuw vóór Christus binnen het Jodendom gerijpt is, en in Jezus’ tijd vrij algemeen verspreid was, zeker in kringen van de Farizee­ën maar ook onder het gewone volk.

Onze eerste lezing stamt uit die tijd dat dit nieuwe religieuze inzicht vaste voet kreeg binnen de joodse geloofsovertui­ging.
Zeven broers werden voor het oog van hun moeder brutaal afge­slacht omdat ze, wat hun heilig was, niet wilden afzwe­ren. Dat gebeurde op last van de Syrische koning Antio­chus IV Epifa­nes (175-164 v. Xus). Die wilde in het Israël dat hij ver­overd had, zijn eigen goden installeren. N.a.v. die bloe­dige ver­vol­ging rees bij vrome joden de vraag of ze nog wel konden vertrouwen op God die destijds met zijn volk een ver­bond had gesloten. Wie aan die God trouw bleef, werd immers ter dood gebracht. Was het denk­baar dat de God van belof­te mensen die om omwille van Hem de marteldood ondergingen, zomaar in de steek liet? Dat kon niet waar zijn! God is een trouwe God – en als die trouw zich niet manifesteert tijdens een mensenleven, dan is dat omdat Gods trouw zich uit­strekt voor­bij de dood.
In die dramatische context rijpte bij de joden het inzicht dat er na de dood nog een ander leven moest zijn waar God zijn belofte blijvend gestand deed.

“Geloven in zo’n hiernamaals is toch onzin” zeggen de Saddu­cee­ën te­gen Je­zus. “Wij geloven ook dat een mens na zijn dood voortleeft, maar dan in zijn kinde­ren, en in de kinderen van zijn kinde­ren – niet in een of ander hier­na­maals. Mozes heeft het ons zo toch ge­leerd! Waarom zou hij anders voorgeschreven hebben dat, wanneer een getrouwd man kinder­loos sterft, zijn broer diens weduwe tot vrouw moet nemen om ervoor te zorgen dat de overlede­ne alsnog kan voort­leven in zijn nage­slacht. [De aldus eerst­gebo­ren zoon werd naar de over­leden man ge­noemd en was diens erfge­naam]. Denk je maar eens in wat daar­van de implicaties zijn als mensen wer­ke­lijk zouden verrij­zen! Stel dat een vrouw telkenmale kinder­loos achterblijft en dus broer na broer moet trouwen… van wie is ze dan de vrouw in jouw hier­namaals, mijnheer Jezus? Toch duidelijk dat jouw idee van een leven na de dood absurd is!”. De Saddu­ceeën probe­ren hier Jezus klem te rijden door te verwij­zen naar het zwagerhu­welijk [Deut. 25,5-6 en Gen. 38,8], gewoonterecht uit een ver joods verle­den dat in Jezus’ tijd al lang in onbruik was geraakt.

“Jullie redenering klinkt logisch” zegt Jezus, “maar dan wel in de veronderstelling dat het leven in die andere wereld, een duplicaat, puur een verlengstuk is van het leven in deze wereld. Maar dat heb Ik nooit beweerd! Als Ik spreek over opstanding en over een ‘ander leven na de dood’ dan heb Ik het over een ànder soort leven in een totaal ander wereld. Het gaat er daar niet aan toe zoals in dit leven; de wetmatighe­den van leven-in-deze-wereld gelden daar niet. Dat andere leven is niet verganke­lijk, is niet gebonden aan plaats en tijd, daar wordt niet gegeten, geslapen en getrouwd.”

Opvallend in Jezus’ reactie zijn z’n negatieve bewoordingen. Dat kan ook niet anders: Jezus spreekt immers in mensentaal over een werkelijkheid die niet tot de menselijke ervaringswe­reld behoort. Onze woorden en begrippen schie­ten te kort omdat wij niet verder kunnen kijken dan de wereld waarin wij leven. Dat ‘ander leven’ is dus voor ons on(be)grijpbaar, en dus niet in woorden te vangen, niet in mensentaal te beschrijven. Ons spreken daar­over kan niets anders zijn dan een aaneenrijgen van probeersels om het onzegbare te verwoor­den; we moeten beelden gebruiken die stammen uit onze eigen leefwe­reld om iets te suggereren over die andere wereld die niet onze leefwereld is. Wij kùnnen nu eenmaal niet doorzien wat God met ons voor­heeft. Onze plaats is hier, in deze we­reld. Híér hebben wij onze verant­woorde­lijkheid waar te maken voor het oog van God. Wat Hij zal doen als de tijd van onze verantwoor­de­lijkheid ten einde is… is voor ons nu letterlijk onvoorstelbaar. Daaraan kun je als gelovige je alleen maar overgeven, er voor openstaan.

Getuigt zoiets niet van te vèrgaande naïviteit? Waar haalt een gelovige het nodige vertrouwen, enige garantie, om zich aan het onkenbare over te geven?
Op die vraag gaat Jezus in op het eind van zijn ge­sprek met de Saddu­ceeën. Ook Hij verwijst naar Mozes, naar Mozes die, staande bij het brandend braambos, vraagt: “Heer, wie bent U? Zeg mij uw naam”. Waarop de Heer antwoordt: “Mijn naam is Jahweh – wat bete­kent: Ik zal er zijn voor u. Ik ben er voor u, voor elke mens, zoals Ik er ook ben voor de aarts­vaders Abraham, Isaäk en Jacob, die, ofschoon al lang gestor­ven, leven in Mij. Ik ben immers geen God van doden maar van leven­den”.
Jezus linkt hier de naam van God – Ik zal er zijn voor u – aan vroegere generaties en besluit: “’Voor God leven ze allemaal’. Wie, zoals Abraham, Isaäk, Jacob en al die anderen, God trouw is in dit leven, kan zich verze­kerd weten van de eeuwige trouw van onze God. Daarom mag je je overgeven aan wat ons bin­nen­werelds mensen­verstand te boven gaat” zegt Jezus.

Maar dat is dan ook onze enige garantie: dat we Hem, Jezus, op zijn woord geloven.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.