32e zondag door het jaar A 2014 preek

9 nov. 2014 

Wachten. Maar hoe? (1 Tess. 4,13-18 ; Mt. 25,1-13)

Het klinkt misschien niet erg eerbiedig, maar… overdrijft Jezus niet een beetje met deze parabel? Was het echt nodig om die vijf meisjes botweg af te wijzen omdat ze niet berekend waren op de onvoorziene omstandigheid dat de bruidegom op zich liet wachten? In laatste instantie gingen ze nog snel wat olie kopen. Blijkt daaruit niet dat ze hun vergis­sing betreurden en er nog alles aan gedaan hebben om klaar te zijn tegen de komst van de bruidegom?
Trouwens, was het weigeren van solidariteit door die vijf zogenaamde verstandige meisjes wel zo netjes?
En het waren toch niet de meisjes maar de bruidegom die te laat op de afspraak was… Zou je dan van hem niet wat meer begrip mogen verwachten in plaats van dat norse: “Ik ken jullie niet!”?
Misschien zijn er nog meer ‘verzachtende omstandigheden’ te verzinnen. Maar ze doen niet ter zake. Het enig ècht belangrijke is: wat wil Jezus ons diets maken met deze – misschien wat mank lopende – parabel?

Het is een verhaal over ‘wachten’. Een fenomeen waar we maar al te zeer vertrouwd mee zijn.
-Telkens als ik met mijn auto in de file sta, loopt mijn horloge een pak trager. Misschien heeft uw horloge ook die rare kuren. Wachten duurt lang.
-Een heel andere vorm van ‘wachten’ is: moeten leven met ‘nog niet’, met een onvervuld verlangen. Denk bijvoorbeeld aan een terminaal zieke, die, verzoend met het leven, ligt te wachten op het verlossende einde dat maar niet komen wil.
-Nog heel anders is: moeten wachten tot de tijd rijp is, toegroeien naar een belangrijke wending in je leven, je lerend voorbereiden op een nieuwe levensfase, zorgen dat je er staat als het grote moment zich aan­dient. Wachten, waarbij je van je wachten iets moet zien te maken.
Over deze derde vorm gaat het in onze parabel: je wachtend voorbereiden op het grote moment. Hier: de komst van de Bruidegom – God weet wanneer. Een verhaal over de wederkomst van Jezus.

In de beginjaren na Jezus’ dood dacht men dat de wederkomst van Jezus – die daarmee het einde der tijden zou inluiden – op korte termijn te verwachten was, dat dit nog tijdens hun leven te gebeuren stond. Ook Paulus dacht daar nog zo over. Dat hoorden we bijv. in onze eerste lezing, een stukje uit zijn brief aan de christenen van Thessalonica – het huidige Saloniki – geschreven zo’n twintig jaar na Jezus’ dood. Paulus gaat daarin in op de vraag: “Wanneer zal de Heer uit de hemel zal neerdalen? Hoe zal dat concreet in zijn werk gaan?” Dat de doden zouden verrijzen, geloofden ze wel, maar “wat zal er met ons gebeuren, wij ‘die op het moment van de komst van de Heer nog in leven zijn’?” (cf. v.15).

Een paar decennia later – toen de evangelist Mattheüs achter zijn schrijftafel kroop – had men al begrepen dat die wederkomst van Jezus niet voor onmiddellijk was. Het probleem was niet meer ‘wanneer en hoe zal dat gebeuren’, maar ‘hoe moeten we leven in afwachting dat het zal gebeuren’. Op die vraag gaat Mattheüs in met het vertellen van enkele parabels. Eén daarvan gaat dus over tien meisjes die de bruidgom opwach­ten maar geen weet hebben wanneer die komt opdagen.

Twee manieren van ‘leven-in-afwachting-van’ worden hier tegenover elkaar gesteld.
Vijf meisjes worden van het feest uitgesloten, niet omdat ze tijdens het wachten ingedommeld waren – ze waren alle tien ingedut -; niet omdat ze na sluitingstijd nog durfden aankloppen; maar omdat de bruidegom “hen niet kende” staat er.

Waarom kende Hij die vijf niet? Omdat zij afwezig waren toen Hij aankwam, en er dus niet bij waren toen de meisjes aan de bruidegom werden voorgesteld. Op de vraag ‘Hoe moeten we leven in af­wachting van de wederkomst van Christus?’, is het antwoord van Mattheüs: ‘Zorg dat je door Hem gekend bent. Zorg dat je tot zijn vriendenkring behoort.’
En wie zijn de vrienden van Jezus? In zijn afscheidsrede gaf Jezus daarop een dubbel antwoord: (a) “Ik heb u vrienden genoemd, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord” (Jo 15,15); (b) “Gij zijt mijn vrienden als ge doet wat Ik u gebied. En dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefge­had” (Jo 15,12.14).
Twee soorten vrienden dus. Alle tien de meisjes zijn Je­zusvrienden in de eerste betekenis: enthousiast hebben ze naar zijn boodschap geluisterd, want aanvankelijk stonden ze alle tien de bruidegom op te wachten met de lamp brandend in hun hart. Bij vijf van hen doofde na enige tijd de lamp van hun enthou­siasme: zij beschikten niet over de noodzakelijke olie om bij te vullen. ‘Elkaar altijd liefhebben zoals Jezus ons heeft liefgehad’ werd hun op de duur een beetje teveel van het goede. Dus haakten ze af, en daarmee sloten ze zichzelf uit uit de Jezuskring in de tweede en intieme beteke­nis van het woord.

De olie die onze lampen brandend moet houden, is onze funda­mentele levenskeuze: willen leven en liefhebben zoals Jezus ons heeft liefgehad. Vijf meisjes kozen voor dat levenspa­troon; vijf maakten een andere keuze.
Het behoort tot de grootsheid van ons mens-zijn dat wij vrij en autonoom dergelijke keuzes kunnen maken. Het behoort tot de grootsheid van onze God dat Hij die vrijheid en die autonomie van de mens onvoorwaardelijk respecteert. Voor de keuze die een mens maakt èn voor de consequenties ervan is die mens, en hij alleen, persoonlijk verantwoorde­lijk. En daarmee begrijpen we ook waarom de verstandige meisjes hun olie niet konden delen. De olie uit de parabel staat immers voor: kiezen om te leven en lief te hebben zoals Jezus ons heeft liefgehad. En dat is een strikt persoonlijke keuze en dus niet overdraagbaar.

Nog een laatste opmerking. Je leven laten oriënteren door de liefdesboodschap van Jezus, is vers één. Daaraan, op elk moment en in alle omstandigheden, concreet gestalte geven, is vers twee. Volmaaktheid is niet van deze wereld. Je valt wel eens door de mand. Maar als je, na falen, je herpakt, dan is de Heer bereid dat falen met de mantel der liefde toe te dekken. De vijf verstandige meisjes hadden gekozen voor blijvende waakzaamheid, maar ook zij dommelden in. En toen hèt moment daar was, kneep de Heer op zijn beurt een oogje dicht toen Hij de poort voor hen opende. Hun falen verbleekte in het heldere licht van de bruiloftzaal.

Gods goedheid die ons accepteert zoals we zijn, mèt ons falen en onze tekorten, kan je echter niet uitrekken tot in het on­eindige. De onverstandige meisjes dachten nog snel even wat olie te gaan kopen, in de hoop dat de goedzakkige Heer ook voor hen een oogje zou dichtknijpen als ze op het laatste nip­pertje met de stroom mee naar binnen wilden glippen. God is wel goed maar ook rechtvaardig. Je eigen godje zijn, leven zonder je veel om het bruilofts­feest van Jezus te bekommeren, en, als ‘t kalf verdronken is, je beroepen op Gods barmhartigheid: “Heer, Heer, doe open”… dat is ver­zaken aan de consequenties van je eigen vrije keuze. “Sorry, zegt God, Ik ken u niet, zoals jij, tijdens je leven, Mij niet hebt erkend”.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.