31e zondag door het jaar A 2020 p

Eigentijdse heiligen  (Mt. 5,1-12)

Ik kan het natuurlijk verkeerd voor hebben, maar ik veronderstel dat er onder jullie niet zoveel zijn die er van dromen om na hun dood door de paus officieel ‘heilig’ te worden verklaard om vervolgens een plaatsje te krijgen op de kalender. Wil dat nu zeggen dat we al dat heili­genge­doe als ‘niet meer van deze tijd’ naar de prullenbak kunnen verwij­zen? Uiteraard niet. Ik ben er integendeel van over­tuigd dat onze tijd een flinke dosis eigentijdse heilig­heid best kan gebruiken. Er zijn op onze dagen zoveel destruc­tieve krachten aan het werk dat er meer dan ooit behoefte is aan mensen die signalen van hoop uitzenden, aan mensen die inner­lijke veerkracht uitstra­len, aan mensen die durven ­roeien tegen de stroom in. In één woord: we hebben behoefte aan heilige mannen en vrou­wen die hun nek uitsteken en authentiek christen durven zijn. De zaligspre­kingen uit het evangelie hebben nog geen millime­ter aan actua­liteit ingeboet. Ik overloop ze even.

Gelukkig die arm van geest zijn.
Armen van geest zijn mensen die, bijna tegen beter weten in, blijven geloven in en blijven zoeken naar het Koninkrijk van God. “Van hen is het Rijk der hemelen”, zegt Jezus, omdat zij streven naar een samenleving waarin iedereen zich thuis mag voelen. Ik denk aan hen die – in organisaties, of in het klein, van mens tot mens – moedig en vol hoop blij­ven ageren tegen uit­buiting, onderdrukking en discrimina­tie. Eigentijdse ‘armen van geest’ zijn al diegenen die her en der kleine stukjes van Gods droom over onze mensen­wereld helpen verwezenlijken.

Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden.
Bedoeld is hier niet: persoonlijk lijden of verdriet – met alle respect voor de velen die daaronder gebukt gaan.
De treurenden waarover het hier gaat zijn zij die mee-leven en mee-lijden met wat er grondig fout loopt in onze maatschappij, en in onze Kerk. Die wakker liggen van het gesol met vreemdelingen. Die bruggen willen bouwen over de kloof tussen rijk en arm, maar niet weten hoe. Die lijden aan de Kerk die ze lief­hebben, omdat die niet genoeg ‘spirit’ uit­straalt, omdat de vrouw er nog altijd tweede­rangskerklid is, omdat leken  pastoraal pas au sérieux genomen worden als er gatenvul­lers nodig zijn wegens tekort aan pries­ters. Dààrover wenen de eigen­tijdse treuren­den uit deze zalig­spre­king. Zij putten moed en troost uit hun diepe innerlijke over­tuiging dat hun aanklacht terecht is en gegrond.

Gelukkig die zachtmoedig zijn,  de tegenpolen van de hardvochtigen.
Geweldloos staan ze op tegen het geweld van de gewelddadigen. Machteloos rechten ze de rug tegen het machts­misbruik van de machthebbers. Omdat ze, op Jezus’ woord, geloven in liefde die sterker is dan haat en revanche. Omdat ze, op Jezus’ woord, ervan overtuigd zijn dat het goede het uiteindelijk zal halen van het kwade.
Dat geen mens hun kan garanderen dat wat ze geloven en hopen ooit werkelijkheid zal worden, verbittert hen niet. Integen­deel, eigentijdse zachtmoedi­gen stralen een kracht uit die anderen bemoedigt en inspireert: denk aan mensen als Ghandi, Martin Luther King, Bisschop Romero, Moeder Teresa, Nelson Mandela, Pater Damiaan; ook aan bewe­gingen als Amnesty International, Greenpe­ace, de Sint-Egidiusbeweging of Pax Christi.

Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Bijna niet te geloven… maar ze bestaan: hartstochte­lijke hunkeraars naar juridische, sociale, economische, politieke en religieuze gerechtigheid. En naar gelijke rechten voor iedereen. Ze zien het als hun roeping om daar werk van te maken, om te blijven opboksen tegen zoveel tegenkrach­ten. “Hou vol, fluistert  Jezus hen in het oor, want je grote honger en dorst zal gestild worden.”

Gelukkig die barmhartig zijn.
Gelukkig die mild zijn, vergevensgezind. Gelukkig die zich daadwerkelijk bekommeren om mensen in nood, om landen in nood, om mensen op de vlucht.
Zulke eigen­tijdse barmhar­tigen roepen de zachte krachten in je wakker. En dan denk je onwillekeurig: zo zijn wij, mensen, door God bedoeld.

Gelukkig die zuiver van hart zijn.
Toen Hij dit zei, zweeg Jezus heel even en keek het groepje farizeeën dat wat teruggetrokken stond te luiste­ren, recht in de ogen.
Het kan wel zijn dat afgeborstelde maat­pak­dra­gers en modieus verpakte en bepoeier­de dames een streep­je voor hebben op het publieke forum. Maar God kijkt daar dwars doorheen. Zijn hart gaat uit naar verwante har­ten, die spreken zonder eigen­belang of bijbedoeling, die anderen niets proberen wijs te maken.

Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Vrede­zaaiers zijn meer dan broodnodig in een wereld als de onze met zoveel oorlogshaarden.
In tegenstelling tot vroe­ger zijn vredestichters nu vaak professionelen: mensen die, met kennis van zaken, met een groot uithoudingsver­mogen en los van iedere emotionaliteit, altijd weer kiezen voor de onderhandelingstafel als de enige goede weg naar een nieuw begin van menswaar­dig samenleven. Zulke vrede­brengers hebben we meer dan ooit nodig. Dank­baar zullen we ze begroeten als ‘kinde­ren van Godswege’.

Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid.
Vele van deze eigentijdse heiligen worden met een scheef oog bekeken, monddood gemaakt door de onzaligen die het in Kerk en wereld voor het zeggen hebben. Want die voelen zich geviseerd in hun geves­tigde privileges, in hun tradi­tionele zekerhe­den bedreigd door bij-de-tijds geloof dat zoekt hoe dienst aan God en mens op onze dagen eigentijdse heiligheid tot stand kan brengen. Misschien niet meer letterlijk maar wel figuur­lijk worden nog steeds martela­ren voor de wilde dieren gegooid in het Colosseum van de machtigen.
Tot hen zegt Jezus: “Gelukkig zijt gij, mannen en vrouwen die uitgescholden, vervolgd en beticht worden van allerlei kwaad vanwege Mij, vanwege het recht en de ge­rech­tig­heid waarvoor ook Ik mijn leven heb gegeven. Wees blij, want Ik wacht u op in het Rijk der Hemelen.”
Marc Christiaens o.p.

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.