31e zondag door het jaar A 2017 p

(Viering)

Gezag is… je laten gezeggen (Mt. 23,1-12)

Het zal maar publiekelijk over u gezegd worden: dat de mensen wel moeten luisteren naar je woorden, maar zeker niet moeten kijken naar je daden! En de vegen uit de pan richting farizeeën en schriftge­leerden worden maar aan elkaar geregen: “Ze leggen men­sen ondragelijke verplichtin­gen op; ze hangen de ‘religieuze grote Jan’ uit; ze willen altijd weer op de eerste rij staan­…”. En dat is nog maar het begin van een nog langere reeks ‘lieflijkheden’ aan het adres van de joodse religieuze leiders.
In wel erg provocerend taal, en zonder enige nuance­ gooit Jezus de hele joodse reli­gieuze hiërar­chie op één hoop. Van ‘bemin uw vijanden’ is hier niet zoveel te merken.

Of is het misschien onze evangelist die hier de botte bijl hanteert?
Feit is dat in de evangelies van Lucas (11,3­7-54; 20,45-47) en Marcus (12,38-40) Jezus minder kwetsend uit de hoek komt en lang niet zo uitvoe­rig tegen farizeeën en schriftge­leerden per­oreert. Het zou dus wel eens kunnen dat Mattheüs zich door zijn verhaal laat meesle­pen en, door de mond van Jezus, zijn eigen tijdgenoten viseert. Hij schreef zijn evange­lie pakweg 50 jaar na Jezus’ dood. In die jaren, kort nadat de Romeinen Jeruzalem, inclusief de tempel,  in de as hadden gelegd (72 na Christus), was de spanning tussen de joden van farizeïsche strekking en de joden van de Jezus-strekking te snijden. De Jezus-volgelingen werden uit de synagogen gepest en naar de marge van het publieke leven verbannen. Tegen die achtergrond zou het wel kunnen dat Mattheüs Jezus’ ergernis tegen de fari­zeeën hier heeft aangedikt met zijn eigen woede.

Maar tegelijk richt Mattheüs zich tot zijn eigen christelijke achterban die, buitengezet uit de synagogen, zich genoodzaakt ziet om een autono­me organisatie op poten te zetten en dus een eigen leider­schap moet gaan ont­wikkelen. Let op, zegt Mattheüs, trap niet in de valkuil waar het Jodendom is inge­trapt. Best mogelijk dat farizeeën en schriftgeleerden aanvan­kelijk met goede bedoe­lingen bezield waren, maar ze hebben niet kunnen weer­staan aan de bekoring die bij leiderschap steeds op de loer ligt: zij hebben ‘hun gezag over het volk’ omgebogen tot ‘macht over het volk’. Prestigegeil hebben zij zich op een hoge troon geïnstalleerd en kijken vandaar neer op het plebs. Ze achten zich uit het betere morele hout gesne­den en ontle­nen daaraan de pretentie te weten wat in Gods ogen goed is en wat kwaad. En dus vaardigen ze alsmaar meer wetten en regeltjes uit waaraan een doorsnee-mens nauwelijks of niet kan voldoen. Ge­volg: gelovigen zitten voortdurend met schuldge­voelens opgescheept.  Ze voelen zich slecht en zondig, en dus bang voor Gods straf die hun boven het hoofd hangt…
Maar zo ís onze God niet, zegt Mattheüs. Jezus heeft ons een Blijde Boodschap gebracht: Hij heeft ons geleerd dat onze God een liefhebbende Vader is die het geluk van mensen wil, gelukkige mensen die iets uitstralen van Gods liefde en barmhartig­heid.
Dat hypo­criete farizeeërsgedoe moeten wij kost wat kost ver­mij­den, waarschuwt Mattheüs zijn kerkge­meenschap. Dat de farizeeën erop staan eerbiedwaardig te worden aangesproken met ‘Meester’ of ‘Rabbi’, is het begin van hun ontsporen geweest. In ons midden mag niemand zich ‘Rabbi of Meester’ laten noemen want we hebben slechts één Meester: God. Niemand mag zich laten aanspreken met ‘Vad­er’ want dat vertroebelt het zicht op Gods vader­schap. En ook ‘Leraars’ zijn uit den boze: de enige Leraar bij wie wij ons oor en ons hart te luisteren moeten leggen is onze Jezus Chris­tus.

Mattheüs neemt hier geen stelling in een discussie over juiste aanspreektitels. Dat blijkt uit zijn argumentatie. Waar het hem om te doen is, is de funda­mentele gelijkheid van alle gelovigen: allemaal zijn we in Gods ogen broers en zussen.
Het is ook geen anti-autoritair pleidooi. Mattheüs is realist genoeg om te weten dat in een organisatie knopen moeten door­gehakt worden en dat je daarvoor leidinggevende figuren nodig hebt die moeten coördineren beslissingen nemen. Elke groep van enige omvang, en dus ook een geloofsgemeenschap, heeft nu eenmaal mensen nodig die allerlei taken en functies op zich nemen. Hij heeft niets tegen ambts- of gezag­dra­gers, wel tegen macht­heb­bers: “De grootste van u zal uw die­naar zijn. Wie zich verheft, zal vernederd worden.” Trouwens op meerdere plaatsen in de evangelies zegt Jezus dat dienaar-zijn een kenmerk moet zijn van wie Hem willen volgen. Dat geldt dus voor iedereen. Maar het besef van ‘dienaar-zijn’, van ‘in dienst staan van’, is extra relevant voor hen die in de geloofsgemeenschap een verantwoordelijke functie bekleden. Op dit punt vormen zij een risicogroep omdat de verleiding groot is om van hun verantwoordelijkheidspositie een machtspositie te maken.

Een ambt bekleden in de Kerk is geen kwestie van ‘waar­dig­heid’, laat staan ‘eerwaardig­heid’, geen kwestie van prerogatieven. Het is een zaak van dienst­baar­heid, van tweevoudige dienst­baarheid: dienst aan God en dienstbaarheid aan Gods volk. Gezag moet zich laten ‘gezeggen’ door die beide polen. Daarin is de Die­naar-met-hoofd­letter, Jezus zelf, ons radicaal voor­gegaan: het heeft Hem bloed en tranen, zelfs zijn leven gekost om zo tot het einde toe door te gaan.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.