30e zondag door het jaar B 2015 p

Op weg naar Jeruzalem (Mc. 10,46-52)            (Viering)

Een klassiek genezingsverhaal. Als Jezus toevallig langs loopt, roept een blinde bedelaar Hem toe. Op Jezus’ vraag wat hij wil, vraagt hij Hem om verlost te worden van zijn blindheid. Jezus geneest hem, en voegt er zoals gewoonlijk aan toe: “Ga, uw vertrouwen  is uw redding.” Een school­voorbeeld van: hoe Jezus weldoende rond­ging, en hoe zijn Woord in goede aarde viel.

Maar er is meer. Een aantal details maken dit eenvoudig genezingsverhaal rijker, geven er meer diepgang aan.

Het begint dus bij een blinde bedelaar. Op zich niets wereld­schok­kends, zeker niet in een tijd waarin de geneeskunde nog niets voor­stelde en sociale voorzieningen nog moesten uitgevon­den worden. Een sukkelaar die geen deel heeft aan het intermenselijk verkeer, die letterlijk en figuurlijk naast de weg werd geparkeerd, en die dààr van zijn miserie zijn brood­winning heeft ge­maakt.
Marcus haalt die man uit de anonimiteit door hem een naam te geven: Bar-timeüs, zoon van Timeüs[1]. Behalve voor leerlin­gen van Jezus, doet Marcus dit omzeggens nooit. De enige andere, mij bekende uitzondering is Jaïrus die ook om een gene­zing vroeg. Maar die was dan ook niet de eerste de beste: de plaat­se­lijke commandant van de Romeinse bezet­tingsmacht. Bartimeüs daarentegen was een simpele bede­laar – een van de zovele.
Voor Marcus is hij wel belangrijk omdat hij hem promoveert tot symbool voor al wie langs de kant staan; voor al wie – blind, doof, oud, berooid, monddood… of mond­dood ge­maakt – ook in onze maat­schappij met haar sociale voor­zie­ningen, op een nette en diploma­tieke manier in de vergeet­hoek worden geparkeerd. Het zijn díé Bartime­üssen die, vanuit hun ellen­de, hun nood uit­schreeuwen.
Een schreeuw die niet wordt gehoord, niet wordt gezien.

Fout: wèl gezien en zeker gehoord! Want de menigte – en met name de menig­te die Jezus volgt, zo schrijft Marcus – snauwt Bartimeüs toe dat hij zijn mond moet houden. Ze wìllen hem niet horen. Al dat leed in de wereld… ze zijn het zat, ze willen er niet langer door afge­leid worden, ze willen niet door een bedelaar gestoord worden terwijl ze bezig zijn Jezus te volgen…
Van blindheid gespro­ken. Wie leeft er eigen­lijk in de duister­nis? De Barti­meüssen die hunkeren naar wat licht, of de Jezusvolge­lingen die zich zo blind staren op het Licht dat ze geen Barti­meüssen meer zien?

Dat ze geen hand naar hem uitsteken… daardoor laat de man aan de zijlijn zich niet ontmoedigen. ‘Help uzelf, zo helpe u God’ moet hij gedacht hebben. Hij waagt het, en springt, overtuigd als hij is dat het vangnet hem zal opvangen. Want zo heeft hij over Jezus horen vertel­len: als over iemand die vermoeide, zieke en eenzame mensen opvangt.
Geloof begint ook bij jezelf: niet bij de pakken blij­ven zitten. Geloof en gebed worden vaak geboren uit nood: een precaire situatie nodigt uit tot bidden. (Het latijnse woord voor ‘bidden’ is niet toeval­lig ‘preca­ri’). En dus schreeuwt hij nog harder: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”.
Jezus blijft staan. De man aan de kant van de weg, tot dan toe door jan en alleman gene­geerd – door de Jezus-ach­terna-lopers in­cluis -, wordt gehoord. Wordt ver­hoord: “Roep hem”, zegt Jezus. En dan ge­schiedt een wonder: Barti­meüs wordt in de ogen van de verblinde Jezus-achterna-lopers opeens een geziene gast. Ze roepen hem toe: “Houd moed, sta op, Hij roept u”.
Twee lijntjes tekst, drie keer het woord ‘roepen’. Marcus buigt hier het genezingsver­haal om tot een roepingsverhaal. Bartimeüs staat op, gooit zijn jas weg – de jas waarin hij, en al diegenen waarvoor hij symbool staat, be­schutting zoekt tegen de kou van de eenzaamheid – en loopt blindelings naar Jezus toe.

“Wat wilt u dat Ik voor u doe?”, vraagt Jezus.
Aan een voorbijganger vraagt een bedelaar een aalmoes. Maar aan de ‘Zoon van David’ die zichzelf aanbiedt, een en al be­schik­baarheid is, vraag je geen aalmoes maar “Rabboeni, maak dat ik weer kan zien “, ‘doe mij verrijzen uit mijn duisternis, maak dat ik weer de weg opkan, weg van de pechstrook’. Een smeekbede waarin zijn hele persoon vervat ligt, een en al vertrouw­volle overgave – een duidelijke blijk van vertrouwen in wie de ‘Zoon van David’ wil zijn: heil en redding.

“Ga, uw vertrouwen is uw redding”. Dank zij Jezus kan Bartimeüs de weg op. Welke weg? “Bartimeüs volgde Jezus op zijn weg” staat er, op zijn weg naar Jeruzalem. Dat laatste, dat Jezus naar Jeruzalem op weg was, stond niet in onze tekst. Dat blijkt uit wat volgt. Onmid­dellijk na de Bartimeüs-ge­schiedenis vertelt onze evangelist de in­tocht in Jeruzalem. Daar zal het volk morgen Jezus toezingen: “Hosanna, Zoon van David” (vgl. Mt. 21,9), een echo van wat Bartime­üs Jezus toeriep: “Zoon van David”. Dezelfde woorden, maar de draagwijdte ervan verschilt hemels­breed. Nog geen week later zingt dat volk van Jeruzalem i.p.v. “Hosanna”, “Kruisig Hem”. Bartimeüs daarente­gen represen­teert het trouwe geloof in de ‘Zoon van David’. Hij gaat mee de weg naar Jeruzalem, waar Jezus zijn liefde voor de mensen zal bewijzen tot het uiter­ste.
* * *
Geroepen worden om Jezus te volgen, is willen zien wat Jezus’ leven, dood en verrij­zenis te bete­kenen hebben, en daaruit de conse­quenties trekken voor je eigen leven. Leven in de geest van Jezus, is bereid zijn, met Jezus, de weg naar Jeruza­lem te gaan en zijn eigen kruis op te nemen.
Aan de blinde, de dove, de ver­kleumde en de vluchteling die berooid op de pechstrook staan, moeten ook wij, net als Jezus, durven vragen: “Wat wilt ge dat ik voor u doe?”. Bartimeüs moest eerst de ogen geopend worden, vooraleer hij mee op weg kon. Ook de moderne Barti­meüssen moeten eerst op de been geholpen worden vooraleer ze de weg kunnen gaan naar hoop en toekomst. Dus moeten we hen laten delen in onze wel­vaart, ons onder­wijs, onze socia­le zekerheid. Want in een God­waar­dige, en dus mens­waar­dige samenleving is elke twee­deling tussen ‘wij en zij’ uit den boze.
Marc Christiaens o.p.

    [1] In feite staat er twee keer hetzelfde: in het Aramees, de taal die Jezus sprak, betekent ‘bar’ zoon van…

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.