30e zondag door het jaar A 2014 preek

26 okt.2014  (Viering)

De hele bijbel in één zin (Mt. 22,34-40 ; Ex. 22,20-26)

“Wat is het voornaamste gebod?” Wat is de clou van het chris­tendom waar alles om draait? Kun je de Bijbel [mijn exem­plaar: 1807 blz. kleine druk] eens samenvat­ten in één zin?
Het lijkt wel een vraag van een jour­nalist van het televisie­nieuws, die een item­ over het christendom moet maken, en daarvoor van zijn eindre­dac­teur welgeteld 1 minuut en twintig secon­den zendtijd toege­wezen kreeg.
[ter info: De vraag naar de rangorde van de geboden was in Jezus’ tijd een heikel discussie­punt. We moeten immers beden­ken dat de joodse traditie inzake religie, moraal en cultus niet minder dan 613 geboden en verboden kent. Uiteraard waren niet alle regels even belang­rijk, alhoe­wel… sommige schrift­ge­leerden – zeg maar de ‘fundamen­talisten’ – aanvaardden geen rangor­de en vonden dat al die ge- en verboden even belangrijk waren. Het gevolg was dat goed­menende mensen niet meer wisten waar­aan of waar­af. Wel of geen rangorde, en zo ja, welke rangorde dan?]
Ik zou waarschijnlijk het spel niet meegespeeld hebben. Maar ik ben Jezus niet. Die nam die onmogelijke vraag wel serieus. Zijn antwoord is over­bekend: “Heb God lief; heb je naaste lief als jezelf; en die twee vormen één geheel”.

Twee? Dat tweede gebod ‘Heb je naaste lief als jezelf’ is eigenlijk een dubbel­gebod. Want je moet van je naaste houden zoals je van jezelf houdt. Dat voor­naamste gebod is dus eerder een drievoudig gebod: Bemin God, bemin jezelf, bemin je naaste als jezelf.

‘Jezelf mogen beminnen’ is op zijn minst opmerkelijk. In de chris­telijke traditie wordt naasten­liefde veelal gekoppeld aan ‘jezelf tussen haakjes zetten’, ‘jezelf naar het achter­plan verwijzen’. Je moet toch je leven verliezen om het te redden (Jo. 12,25)? Beweert Jezus hier dan het tegenovergestelde als Hij ‘houden van jezelf’ naar voren schuift als norm, als maatstaf voor onze naasten­lief­de?
Natuurlijk bedoelt Hij niet wat tegenwoordig zo geraffineerd wordt opgehemeld: jezelf koesteren, individualistische zelfverwennerij. Het gaat Jezus om iets heel anders, om respect voor jezelf, voor je lichaam en je ziel; draag zorg daarvoor, besteed op een fijne en zuivere manier de nodige aandacht aan dat godsgeschenk. ‘Besef het goed: je mag er zijn’ bedoelt Jezus. Voor niet weinigen is dit een deugd­doende steun in de rug. Ze achten zichzelf zó niets-waard dat ‘je bent de moeite waard om van jezelf te houden’ hun in de oren klinkt als een egoïstische ketterij. Maar nu horen ze het ook eens van een ander, van Jezus zelf! En Hij kan het weten. Als zíjn Vader jou – met al je mogelijkheden en beperkingen – de moeite waard acht om van te houden, waarom zou jij jezelf dan niet de moeite waard mogen vinden?

En zoals je van jezelf mag houden, zo moet je dus ook je naaste liefhebben.
Uiteraard gaat het hier niet over de exclusieve liefde tussen twee mensen. Jezus heeft het over liefde als universele opdracht. Zodra een ander – wie hij ook weze – beroep op mij doet, sta ik voor de keuze: voorbij­ganger worden of naaste worden. Denk aan het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Op de vraag ‘Wie is mijn naas­te?’ leert Jezus dat je niet iemands naaste bent omdat je toevallig in zijn buurt bent, maar dat je iemands naaste wordt, door hem hulp te verlenen. ‘Liefhebben’ in Bijbelse zin is dus de ander een mens­waardig bestaan verschaf­fen. In onze eerste lezing werd dat heel concreet gemaakt: Tegen zijn volk zegt de Heer: ‘Maak het de vreemdeling in je midden niet lastig, want vergeet niet dat jij destijds zelf vreemdeling waart in Egypte en dat Ik jullie toen terzijde stond. Zorg goed voor de wedu­wen en wezen die geen bestaanszekerheid hebben; zo niet, dan krijg je met Mij te doen. Spring de noodlij­dende bij, geef hem een rente­loze lening, want je moet niet rijk willen worden op de kap van de arme.’ Van die oudtestamentische gedragsregels is de parabel over het laatste oordeel een echo (Mt. 25,31-46). De Heer vraagt dan niet ‘Heb je Mij liefge­had’, maar wel: “Ik was hongerig, naakt, vreemde­ling… En wat heb je toen gedaan?”. Lief­hebben is hier dus duidelijk een doe-woord. God liefhebben is: aan de zwakke naaste goed doen zoals jij zou willen dat aan jou wordt goed gedaan als jij honge­rig, naakt, vreemdeling,… waart.
Hier voel je hoe het drie­voudig gebod van de liefde “Bemin God, bemin jezelf, bemin je naaste als jezelf” een drie-eenheid vormt.

Natuurlijk vertel ik hier niets nieuws. In de loop der jaren hebben wij diezelfde boodschap al tientallen keren horen verkondigen. De kwestie is niet of wij dat Jezuswoord kennen en geloven, wel of wij die ge­loofs­waarheid doen.
Beminnen wij God werkelijk met heel ons hart, heel onze ziel en heel ons ver­stand? Of branden wij in ons feitelijk leven en werken wierook voor afgoden die een gruwel zijn in de ogen van onze God, die Liefde is, en Emanuel heet (God-met-ons)? Ik noem een paar van die afgoden, die ook al in het oude Israël onze God het vuur aan de schenen legden:
– Moloch bijvoorbeeld (1 Kon. 11,7), de god van macht en geweld. Hoe vaak in ons leven laten we ons leiden door carrièredrang, waar relaties en kruiwagens en ellebogen het moeten winnen van competentie? Verschuilen wij ons nooit achter een woede-uitval of koppig stilzwijgen omdat we te laf zijn om onze fout te erkennen, of omdat we een eerlijk gesprek niet aandurven? Hoe vaak is de schone schijn van lijf en leden, een char­mante glimlach en sexy kleding, een rook­gordijn dat onze leeg­heid of onze onkunde moet maskeren?
– Buigen we soms de knie voor de afgod Baäl (1 Kon. 18,20-46), de beschermgod van eigen volk en bodem? Over­tuigd van eigen gelijk en meerwaardigheid, keren zijn aanhangers zich als groep gelijkgezinden tegen buitenstaanders. Discrimineren op grond van afkomst, ras, ge­slacht, seksue­le geaardheid, gods­dienst of wat dan ook, is dus Baäldienst. Weigeren onze socia­le zekerheid te delen met hen die er niet mee aan betaald hebben, is dienst aan Baäl. Niet openstaan voor oecumene en je opsluiten in je eigen godsdien­stig gelijk, is dienst aan Baäl.
– Wellicht de meest invloedrijke en meest verleidelijke god in onze westerse cultuur is Mammon, de god van het geld. Hoe vaak hangt er geen prijskaartje aan mijn doen en laten. Wat kost het mij? Wat levert het mij op? Voor wat, hoort wat. Kleine procentjes maken rijke ventjes.

Ge kunt geen twee heren dienen – zegt Jezus. De ene dienen, is de andere verraden. Het is òf God òf de Mammon; òf God òf Baäl, òf God òf Moloch. (zie Mt. 6,24). Als je de Heer uw God wilt beminnen met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand, zul je de afgoden waaromheen in deze wereld alles lijkt te draaien, de rug moeten toekeren. Je zult je consequent moeten richten op onze God die wezenlijk Liefde is en Vader wil zijn van àlle mensen, en daarom niet kan uitstaan dat individuen of groepen, openlijk of sluime­rend, tot tweede­rangsmensen worden gedegra­deerd.
God liefhebben is een werk­woord: aan de zwakke naaste goed doen zoals jij zou willen dat aan jou wordt goed gedaan als jij honge­rig waart, of naakt of vreemdeling. Dat is het eerste en voor­naamste gebod, zegt Jezus. Daar komt in wezen heel ons chris­ten-zijn op neer. Zo eenvoudig is dat.
Althans in theorie.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.