2e zondag van de vasten C 2022 p


Een voorsmaak van Goede Vrijdag en Pasen  (Lc. 9,28-36)

Het verhaal over de gedaanteverandering van Jezus vinden we niet alleen bij de evangelist Lucas maar ook, bijna letterlijk, bij Mattheüs en bij Marcus. Je zou bijna denken dat de heren van elkaar hebben afgeschreven… En het is nog waar ook. Het evangelie van Marcus, het oudste van de drie, was één van de inspiratiebronnen zowel van Mattheüs als van Lucas – zij het dat beiden soms heel vrij omsprongen met hun inspiratiebron.
Hier niet dus. Integendeel. Marcus laat zijn verhaal over de gedaanteverandering vooraf­gaan én volgen door een uitspraak van Jezus dat Hij veel zal moeten lijden en ter dood zal worden gebracht. En dat drieluik namen zowel Mattheüs als Lucas over als één pakket, zonder er iets ingrijpends aan te veranderen. Voor de drie evangelisten is het duidelijk dat Jezus’ gedaanteverandering en zijn lijden alles met elkaar te maken hebben. Voor ons, die in de evangelielezing alleen het middenstuk gehoord hebben, is die link niet zo evident.

Op het moment dat wij Jezus vandaag ontmoeten zit Hij in een diepe crisis.
Hij was begonnen, bijna argeloos enthou­siast, met in woord en daad de liefdesbood­schap van zijn Vader uit te dragen. Wat Hij aanvankelijk fout had inge­schat, was dat zijn consequent kiezen voor armen en rechte­lozen, voor tolle­naars en zon­daars, zoveel kwaad bloed zou zetten bij vooral schrift­geleer­den en Farizeeën. Na enige tijd voelde Hij hun irrita­tie uitgroeien tot regel­rechte vijandig­heid. Het drong steeds meer tot Hem door dat opkomen voor het recht van rechte­lozen niet zonder risico is. Wie het voor hen opneemt, komt immers in botsing met het heersende onrecht. Wie armen verde­digt, vormt een bedreiging voor de portemonnee van de rijken. Wie ruimte creëert voor vreem­delin­gen en vluchtelingen moet optornen tegen blokvor­ming door autoch­tonen. Wie voor onder­drukten wegen naar bevrijding baant, is staatsge­vaarlijk in de ogen van gevestigde machten.
Zoals het zich liet aanzien zou de spanning wel eens tot uitbarsting kunnen komen, en wie weet… het zou Hem misschien zelfs zijn kop kunnen kosten.
Jezus stond dus voor een verscheurende keuze: ofwel trouw blijven aan wat Hij tot dan toe als zijn roeping had be­schouwd en dus het dreigende risico niet uit de weg gaan, ofwel voor veiligheid kiezen, hetzij door ermee op te houden, hetzij door te opteren voor de weg van de popu­laire volksheld die stenen in brood kon omtoveren (Denk aan de evangelielezing van vorige week over de bekoringen in de woestijn).

Helemaal overstuur gaat Jezus met zijn intiemste vrienden de berg op om er te bidden en zich te bezinnen over wat Hem te doen staat. Zijn wikken en wegen, zijn worstelen met zichzelf, verwoordt onze evange­list in een visionair tafereel waarin Jezus met Mozes en Elia in gesprek gaat. Mozes en Elia, de vertegen­woordigers van Wet en Profeten, die zelf destijds de dorheid, de leegte en de vertwijfe­ling van de woestijn getrotseerd hadden om boven op een berg God te ontmoeten. Het staat er wel niet met zoveel woorden in onze evangelietekst, maar we mogen aannemen dat het voorbeeld van die twee godsmannen Jezus heeft overtuigd en heeft doen besluiten om door te zetten, om zijn weg ten einde toe te gaan, tot in Jeruzalem, tot op Golgotha desnoods.
Biddend, daar op de berg Tabor, zag Jezus Goede Vrijdag opdoe­men.

Maar tegelijk stonden die twee gesprekspart­ners van Jezus daar “in al hun heerlijkheid” – zo staat in onze tekst. Wat kan dat anders betekenen dan dat Mozes en Elia iets uitstraalden van de overkant van het leven, van de hemel, van de heerlijkheid Gods? In hun glorie gunden zij Jezus een blik op wat Hem uiteindelijk te wachten zou staan indien Hij koos voor trouw aan zijn opdracht ten einde toe. Naarmate Jezus naar die keuze toegroeide, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren stralend wit – even wit als die van de engelen op Paasmorgen in het lege graf (Lc. 24,4). Daar op de Taborberg ving Jezus een glimp op van hoe zijn leven zou zijn voorbij de dood. De gedaanteveran­de­ring verwijst dus niet enkel naar Goede Vrijdag, maar ook naar Pasen. Een lichtpunt van hoop en uitzicht in de duisternis van de crisis. Een beloftevol perspectief dat uitnodigt om zijn opdracht gestand te doen, ondanks het onza­lige gevoel van dreigende mislukking.

Zijn drie vrienden waren geen getuige van Jezus’ biddend worstelen met zijn roeping. Ze waren in slaap gevallen. Pas in laatste instan­tie werden zij bij het visionaire gebeuren betrokken. Wakker geworden zien zij Jezus daar staan, op-zijn-paasbest: de beslissing is genomen, de crisis is voorbij, Hij is tot rust gekomen.
In zijn naïviteit wil Petrus die stralende Jezus vasthou­den: “Laten we hier een paar hutten bouwen”. Maar al snel worden Petrus en de zijnen met hun twee voeten op de grond gezet: in een wolk valt Gods schaduw over hen en klinkt een stem: “Deze Jezus-op-zijn-paasbest is mijn uitver­koren Zoon. Luister naar Hem”.
En ze hèbben geluis­terd. Ze zijn met Hem mee op weg gegaan. Maar beseften toen nog niet dat die weg op Gol­gotha zou eindi­gen.

Na Jezus’ dood heeft het van de leerlingen een moeizame worsteling gevergd vooraleer het tot hen doordrong dat Golgotha niet het onrechtvaardige, definitieve einde was, vooraleer zij beseften dat Golgotha de doorgang was naar Pasen, en de deur opende naar nieuwe hoop. Wat voor Jezus een in crisis gerijpte beslissing was, was voor zijn leerlingen een proces van begrijpen achteraf, van aanvaar­den en van proberen zin te geven. Wat voor Jezus een in crisis gerijpte beslissing was, is voor zijn volgelingen van vandaag nog steeds een proces van moeilijk begrijpen, van aanvaarden en van proberen de zin ervan te ontdekken.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.