2e zondag van de vasten B 2018 p

Genesis 22, 1-2. 9a. 10-13. 15-18 Marcus 9, 2-10        (Viering)

De berg op …

Af en toe lezen we het op menukaarten: ‘op grootmoeders wijze’. Het is één van de voorbeelden waarbij onze voorouders geciteerd worden als wijze mensen die ons nog iets kunnen leren. Het is een mooie manier om te blijven beseffen dat een mens niet los staat van zijn verleden. De levensstandaard waarvan we momenteel genieten in Vlaanderen, vloeit immers voort uit de noeste arbeid van vele generaties, die hiervoor soms zelfs ‘gevochten’ hebben.
In het evangelie vandaag gaat Jezus ook het gesprek aan met zijn ‘geloofsvoorouders’ Elia en Mozes. In de lezing die aan dit verhaal voorafgaat, vertelde Jezus aan zijn leerlingen dat Hij zal moeten lijden en ter dood zal worden gebracht. De apostelen echter droomden van wat anders. De tijd die ze met Jezus doorbrachten was een successtory: zieken werden genezen, demonen uitgedreven, en massa’s aanhangers volgenden Hem. Ze wisten ondertussen wel dat Jezus niet overal vrienden maakte, maar ze verwachtten toch een ander einde. En zie, als de nood het hoogst is, komen redders te voorschijn. Wat gebeurt er volgens de evangelist daar hoog op de berg? Mozes en Elia verschijnen: twee stralende voorbeelden uit het Oude Testament.
Mozes die zijn volk wegleidde uit de slavernij van Egypte en hen door de woestijn naar het beloofde land voerde om daar als vrije mensen te leven met de tien geboden als gps. Maar Mozes diende ook af te rekenen met onbegrip, met een volk dat liever een gouden kalf aanbad dan de God die hen bevrijd had. Even stralend als toen hij met de geboden van de berg kwam, prijkt hij nu weer op de berg als symbool voor de Wet. En dan is er Elia, de voorzitter van de profetengilde van het Eerste Verbond; ook hij ondervond dat het godsgeloof in Jahwe niet eenvoudig is. Deze man werd in een wagen van vuur ten hemel opgenomen en is nu bij God geborgen. Twee krachtige mannen die het een en het ander meemaakten, maar hun geloof en roeping altijd trouw bleven. Twee monumenten die de heersende Messiasverwachting wat bijstellen. Zowel de Wet als de Profeten tonen geen militaire leider, geen dictator wel ‘iemand die ten dienste staat van’. De ontmoeting geeft Jezus eveneens moed want ook Hij begint te stralen. Daar waar het eerste en tweede Testament elkaar ontmoeten, ervaren de leerlingen wie Jezus echt is: Gods geliefde Zoon.

Ik kan me voorstellen dat sommigen onder u denken: Kan ik zoiets echt geloven? Jezus die van gedaante verandert in schitterende, witte kleren en in gesprek treedt met twee reeds lang overleden boegbeelden?  De eerste Christenen wisten dat dit verhaal – zoals zo veel verhalen in de evangeliën –  één van de duidingsverhalen is. Die verhalen zijn eigenlijk alleen maar de verpakking voor iets dat veel groter en mooier is. De mensen in Jezus‘ tijd hadden de gewoonte om een getuigenis, of eigen overtuiging, in beeldspraak in te kleden. Ze beseften heel goed dat bepaalde dingen beter worden geduid wanneer ze met de juiste beelden worden aangebracht. In onze huidige tijd zijn we nuchterder geworden.
Eigenlijk zou er moeten staan: Jezus nam zijn leerlingen met zich mee en voerde hen binnen in het geheim rond zijn persoon. En zo wordt het voor die drie leerlingen op de berg – dus op voldoende afstand van het dagelijkse leven en ondanks hun twijfels en problemen – ineens duidelijk wie die Jezus eigenlijk is: oneindige, onvoorwaardelijke Liefde. Op dat speciale moment beleven ze een ‘topervaring’ in hun geloof, iets waar wij allemaal toch naar verlangen. ‘In Jezus toont God zich in zijn gans stralende Liefde!’

Maar deze tekst gaat voor mij nog dieper. Als het in mijn leven duidelijk wordt dat mijn geloof geen verzekering is tegen moeilijkheden, hoe ga ik daar dan mee om?
Hoe zal ik miserie rijmen met mijn geloof in een God die alleen liefde is? Ook voor ons is het dan deugdzaam ons hart te luisteren te leggen bij grote mensen uit de kerkgeschiedenis die allemaal hun deel van het lijden beleefden maar diep geloofden dat God hen nooit losliet.
Ik denk hier bij aan Moeder Theresa die blijkbaar een groot deel van haar leven het gevoel had dat God haar ‘verlaten’ had. Toch zette ze door, met ongekende kracht, hopend/gelovend dat God haar mee door het leven droeg.

Vasten is een uitgelezen tijd is om na te denken over ons geloof. Laten we ook de moeilijkheden niet uit de weg gaan. Er zijn geen pasklare antwoorden op alle problemen waar gelovigen mee kampen. Er bestaat geen recept voor een geloof zonder twijfel. Enkel een aantal voorvaders of -moeders die het gepoogd hebben hun geloof trouw te blijven ondanks alles en waarover de bijbel en andere diverse bronnen ons informeren.
Mogen wij in deze vasten de moed vinden om ook even de berg op te trekken, dicht bij God en ver van onze dagelijkse sleur om duidelijker te ontdekken wat ‘geloven’ behelst. Bidden wij dat we als geloofsgemeenschap er meer in slagen mekaar een ‘bergmoment’ te bezorgen waarbij we elkaar als broers en zussen bemoedigen wanneer het moeilijk gaat.
Zoals de drie leerlingen nadien ook weer naar het dal moesten afdalen, terug naar het leven van alle dag, zo mogen ook wij niet vergeten dat zulke ‘stralende momenten’ alleen maar tussenstations zijn. Ze geven ons kracht om verder te gaan. Niemand kan boven op de berg blijven. Het geloof kent geen altijddurende, zachte rustkussens. Je zal steeds weer opnieuw om het behoud van je geloof moeten vechten. Amen.
Monique Van Caenegem-Suys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.