2e zondag van de advent A 2016 p

4 dec. 2016          (Viering)

Bekering
(Mt. 3,1-12 ; Jes. 11,1-10)
Erg zachtzinnig is het taalgebruik van Johannes de Doper niet. En dat het volk massaal vanuit Jeruzalem, Judea en de Jordaan­streek naar hem kwam luisteren, zoals Mattheüs suggereert… daar heb ik zo mijn twijfels over. Vergeet niet dat Johannes de Doper een wat zon­derlinge figuur was die in de woestijn rondzwierf. Dat is nu niet de plaats waar mensen massaal eventjes naartoe trekken voor een dagje-uit.
Heel anders van toon was onze eerste lezing. Jesaja schildert een idyllisch tafereel waarin “de wolf en het lam samenwonen, de panter zich neervlijt naast een geitje, het kalf en de leeuw in dezelfde weide rondhuppelen en kinderen risicoloos in de buurt van een slangen­nest kunnen spelen”. Ik vrees dat ook dit poëzie­program­ma destijds geen hoge kijk- en luistercijfers haalde.

Jesaja die leefde in de achtste eeuw vóór Christus, ergerde zich aan de toenmalige koning van Israel die er alles aan deed om de opko­mende mach­tige buur­sta­ten, Assyrië en Egypte, op te vrijen in plaats van  – naar het voorbeeld van zijn hoog gewaardeerde voorganger koning David – een beleid te voeren gebaseerd op gerech­tig­heid en op vertrouwen in de God van Israël. Diep ontgoocheld mijmert Jesaja over de toekomst: “Zoveel verraad kan God niet ongestraft laten. Hij zal een eind maken aan het konings­huis van David; Hij zal die stamboom omhak­ken… Maar uit de stronk zal Hij een nieuwe scheut doen opschie­ten, een nieuwe koning doen opstaan. De Messias. Diens beleid zal opnieuw gerechtig­heid brengen; Hij zal de schepping in ere herstel­len.” Deze toekomstdroom schrijft Jesaja uit in de vorm van een poëtisch visioen, de tekst van onze eerste lezing. Onder die nieuwe Messias-koning zullen kleinen veilig zijn en kunnen goddelozen hun biezen pakken. Er zal vrede heersen, universele vrede voor mens en dier. Kwaad en verderf… definitief de wereld uit.
Een droom die meer is dan een droom. Het is een visie, een streefdoel. Zó hoort het er in onze wereld aan toe te gaan; zo zàl het er ook aan toe gaan als Israël opnieuw op God durft te vertrou­wen in plaats van land en volk te verkwanselen aan vreemde politieke grootmachten!
Een oproep dus om het over een andere boeg te gooien.

Is zo’n oproep ook aan ons be­steed?
Hoezo? Is het met ons dan zo erg gesteld? Zo bont maken we het toch niet. Natuurlijk kan het altijd beter, maar alles bij elkaar doen we het als christenen toch niet zó slecht… wij gaan nog geregeld naar de kerk; wordt er propaganda gemaakt voor een goed doel, dan laten we ons niet pramen; wij proberen goede ouders, goede kinderen, sympathieke buren en collegae te zijn. Veel meer kan men van ons toch niet verwachten? Of wel soms?
In die stijl reageerden Farizeeën en Schriftge­leerden op de predicatie van Johannes de Doper: “Blaas toch niet zo hoog van de toren. Wij zijn toch uit het goede hout gesneden; wij zijn toch allemaal kinderen van onze vader Abraham”. Maar de repliek van Johan­nes is niet mis: “Dat zal u niet redden, adder­gebroed. Het Rijk Gods is nabij. Bekeert u, brengt goede vruchten voort, anders maakt God van u brand­hout. Zijn bijl ligt al klaar aan de wortel van de boom!”

Johannes De Doper wist zich aangesproken door een ander woord van de profeet Jesaja: “Bereidt de weg des Heren, maakt zijn paden recht”. Elk jaar in de adventtijd worden wij opnieuw met die boodschap geconfronteerd: kronkelwegen moeten recht getrokken worden, hobbelige paden moeten geëffend worden.
Op onze kronkelwegen is het bijzonder druk. Zovelen willen langs achterpoortjes daar geraken waar het rechte pad niet langs komt. Akkoord, wat we doen is niet altijd even mooi, maar een mens is toch maar een mens…
Is het bijbelwoord ‘Laat die kronkelpaden links liggen; kies voor de rechte weg’ dan niet meer dan een vrome slogan? Is de adventtijd misschien zoiets als een verkie­zingstijd: nog maar eens zeggen hoe het allemaal zou moeten, en mensen voorspiege­len dat het allemaal beter wordt? Is het evange­lie niet een beetje een utopie? En Johannes de Doper een beetje een… Johannes de Dromer?
Ja, zeggen mensen met een enig gevoel voor realiteitszin.
Nee, zegt een warmvoe­lend hart met enig gevoel voor geloofs­zin. De oneffenheden en het gekonkel en gekronkel in het rijk van de sterksten moeten recht getrokken worden opdat het Rijk van God de mensen te beurt zou kunnen vallen. Waar God regeert is het goed leven voor allen. Voor allen! Niet alleen voor velen – want dan zijn er ’teveel’ die tussen de mazen van het net vallen.

Waar God regeert, zei ik. Maar God regeert niet over de hoofden van mensen heen. Hij legt ons zijn ‘regi­me’ niet op. Hij nodigt ons uit, nodigt uit tot bekering, tot verandering van gedrag en mentaliteit. God kan met ons pas grote dingen doen als wij zijn licht laten dóórstralen tot in onze binnenste duisternis. Gelovigen zijn per definitie opstandige mensen: ze staan op, komen overeind uit kracht van de opgestane Heer.
Oneffenheden in de samenleving kùnnen niet weggewerkt worden zonder de diepe motivatie van individuen, zonder per­soonlijke overtuiging en vrije inzet. Met rechtvaar­dige wetten, nauwgezette administra­tie en altijd waakzame politie alleen bouw je nog geen menswaardige samenleving. Wegen naar solidair samenleven worden niet gebaand met bull­dozers. De schop van persoonlijke inzet is efficiënter, ten­minste als er dag aan dag en in gemeen­schap aan die weg wordt gewerkt.
Ware volgelingen van Jezus geloven hardnekkig dat het in deze wereld beter kan en dus beter moet. En zij beginnen er aan, onvermoei­baar, niet te stuiten. Ware volgelingen van Jezus weigeren zich erbij neer te leggen dat onze aarde stelselmatig onbewoonbaar wordt gemaakt; dat medemen­sen worden onderdrukt, gekleineerd, uitgebuit, arm en dom gehou­den.
Ware volgelingen van Jezus geloven dat onze aarde van God komt, en dat daarom de aarde bedoeld is als een plek waar het goed wonen is voor allen. Voor allen!
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.