2e zondag door het jaar C 2016 p

17 januari 2016  (Viering)

Châteauneuf de Dieu (Jo. 2,1-12 ; Jes. 62,1-5)
Misschien valt het niet op als je het hoort voorlezen, maar toen ik dit verhaal over de bruiloft van Kana een keer of drie herlas ter voorbereiding van deze preek, kreeg ik het gevoel dat er met dit verhaal iets niet helemaal klopt.
De tekst is heel concreet wat een aantal randaspecten betreft: het gebeurde in het dorp Kana, en na de bruiloft blijven Jezus en de zijnen nog een paar dagen logeren in het nabij gelegen Kafarnaüm. Concrete details die suggereren dat het om een waar gebeurd verhaal gaat. Maar over de hoofdfiguren geeft onze evangelist nauwelijks of geen informatie: Hoe verliep die huwelijksviering? Wie trouwden er? Waarom waren Jezus, zijn moeder en broers, en ook nog zijn leerlin­gen, op die brui­loft uitgeno­digd? Waren die trou­wers soms dichte verwan­ten of heel goede ken­nissen?
Nog vreemder als je er goed over nadenkt, is de aard van het wonder – zijn allereerste, zegt Johan­nes nadrukkelijk. De wijn is op. Had men te weinig voorraad ingeslagen of hebben de gasten zitten zuipen in plaats van een glas te drinken? Om het bruidspaar niet in verlegen­heid te brengen zorgt Jezus met een gele­genheidswonder dat er probleemloos verder kan gebata­vierd worden. Moest Jezus daarvoor zijn wondermacht uit de kast halen?
Na dat voor­val “geloofden zijn leerlingen in Hem” staat er (v.11). Twee mogelijkheden: Ofwel was hun Kana-‘geloof’ niets meer dan geïmponeerd-zijn door straffe water-in-wijn-toverij; ofwel… zit een oppervlakkige lezing van dit verhaal, er helemaal naast.
Gelukkig is dat laatste inderdaad het geval.

Het verhaal over de bruiloft van Kana heeft iets van – vergeef mij de vergelijking – een detectiveroman. Als die goed geschreven is, wordt de lezer voortdurend op het verkeerde been gezet, en is de ontknoping in het laatste hoofd­stuk een complete verras­sing. Lees je het boek onmiddellijk daarna opnieuw, dan zie je dat in de loop van het verhaal her en der aanduidingen verweven zitten die je op het goede spoor hadden kunnen zetten. Daar had je de eerste keer over heen gelezen omdat je je had laten meeslepen door de geraffineerde opbouw van de intrige.

Zo is het ook een beetje met ons Kana-verhaal. En dus, hernemen we eerst de slotzin en overlopen daarna het geheel.
Die laatste zin luidde: “Dat was het begin van Jezus’ tekenen, te Kana in Galilea. Hij openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem”. Er staat niet “dat was het begin van Jezus’ wonderen”, maar “het begin van zijn tekenen”. Niet ‘het wonder als feit’ is belangrijk, maar ‘het wonder als teken’. Wie het verhaal leest als een feitenrelaas, komt uit bij een Jezus die met zijn wondermacht een uit de hand gelopen slemppartij op gang hield, en bij leerlingen die Hem achternaliepen omdat ze hoopten op nog meer van het­zelfde.
Maar het geloof van de leerlingen wàs niet gebaseerd op ‘het wonder als feit’ maar op ‘het wonder als teken’, op de be-teken-is van het wonder. Onze evangelist legt die betekenis niet breedvoerig uit maar suggereert ze in de wijze waarop hij zijn verhaal componeert. Hij schrijft het Kana-verhaal in parabelstijl, in symbooltaal, in een taal waar je doorheen moet kijken.

1. Het bruidspaar wordt niet met name genoemd. De lezer mag de namen zelf invullen. Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. En de joodse lezer waarvoor Johannes schreef, wàs een goede verstaander. Hij begreep onmiddellijk dat het beeld van de brui­loft verwijst naar de relatie tussen God en zijn volk, heel klassieke beeldspraak zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.  Wij zijn niet meer zo bijbelvast. En dus geeft de liturgie ons een hint door ons een Jesaja-tekst als eerste lezing aan te reiken waarin God tot zijn volk zegt: “Zoals een jongeman een meisje huwt, zo zal God u huwen. En zoals de bruidegom blij is met zijn bruid, zo zal uw God blij zijn met u” (Jes. 65,5).

2. De wijn was op. De bruidsverhouding tussen God en zijn mensen dreigt te verwateren. Jezus is de gezondene die die liefdesrelatie moet herstellen. Hij verandert het water in wijn. Zes bakken van elk een kleine 100 liter. En niet zomaar een wijntje. De ceremo­niemeester is ervan in de wolken. Kwantiteit en kwali­teit buiten alle proporties! Dat is geen Château­neuf-du-Pape meer, maar Châteauneuf-de-Dieu[1]! Godswijn! Wijn die verwijst naar de wijn van het Laatste Avondmaal. Nog niet de echte Laatste-Avondmaal-wijn – Jezus’ uur is nog niet gekomen (v.4) – maar wel een voor-teken van wat later te gebeuren staat: In Jezus’ bloed zal de liefdes­relatie tussen God en zijn mensen definitief worden her­steld. Aan de bruidstafel waaraan de Messias ons uitnodigt zal de wijn van de vreugde over­vloe­dig vloeien, zal het feest nooit verwateren.

3. Het initiatief tot het wijnwonder komt niet van Jezus, maar van Maria: “Ze zitten zonder wijn”. Jezus begrijpt haar suggestie wel, maar wijst ze in eerste instantie af. Maria echter voelt intu­ïtief aan dat de tijd rijp is voor de ge­boorte van Jezus als of­ficiële Godsge­zant. In Bethlehem werd Maria moeder, in Kana werd zij moeder van God[2]. Zij laat zich niet uit het lood slaan door Jezus’ aarzeling en zet door. “Wat Hij u ook beveelt, doe het maar”. Raar, een genodigde en dus vreemde vrouw die bevelen geeft aan het huispersoneel, die het heft in handen neemt. Een vrouw, als voorgangster. [Niet erg gebruikelijk in onze Kerk, maar wel in het Johannesevangelie waar het telkens weer vrouwen zijn die de weg wijzen, die een scharnierfunctie vervullen. Met Maria als eerste in de rij[3].]

“Wat Hij u ook beveelt, doe het maar”, zei ze. Wat Jezus beval, klonk de dienaren absurd in de oren: Waarom moeten ze nu de bakken voor het Joodse reinigingsritueel, met water gaan vullen? Maar ze deden het.
“Wat Hij u ook beveelt, doe het maar”. Maria neemt ook ons kordaat bij de arm opdat de waterbakken van ons leven gevuld zouden kunnen worden met Jezus’ Boodschap. De bakken van onze aardse mogelijk­he­den. De broze bakken van ons lijden. De lege bakken van ons zondig bestaan. We moeten ze vullen, boordevol menselijkheid. Want Jezus schept niet uit het niets. Zonder het water van onze inzet, gebeurt er niets. Hij heeft het water van onze inzet nodig om het om te omvormen tot feestelijke wijn. Hoe Hij dat doet, is zijn geheim. Maar onze medewerking is onontbeerlijk. Hij heeft die nodig om zijn Gods werk te kunnen doen, om er bruidswijn van te maken: Kana-wijn, die nooit meer opraakt, waarvan wij mogen blijven drinken.
Aan de wijn zal het niet gelegen zijn onze liefdesrelatie met God-met-ons alsnog zou verwateren…
Marc Christiaens o.p.

 

    [1] Jan Nieuwenhuis, in Kerugma 35(1991/92)2, blz.15.

    [2] Françoise Dolto, Vrijgemaakt om te beminnen. IJssel­stein/Antwerpen, Unistad, 1983, blz. 45.

    [3] Jan Nieuwenhuis, idem, blz. 16-17.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.