2e zondag door het jaar A 2017 p


15.01.17                 (Viering)

Lam van God / Zoon van God (Joh. 1,29-34)
“Daar is het Lam van God”; “Dit is de Zoon van God”. Zwaarwegende woorden. Ze komen niet alleen uit de mond van Johannes de Doper, maar ook vaak uit onze mond. Ook in deze viering. Weten we dan wel wat we zeggen? Of zeggen wij dat louter uit gewoonte?

De evangelist Johannes is een diepzinnig auteur, een theoloog in hart en nieren. Niet zozeer geïnteresseerd in feiten en feitjes, maar in wie Jezus ten diepste is en wat Hij voor de mensheid heeft betekend en nog betekent. Die geloofsinzichten – vruchten van nadenken en mediteren – wilde hij schrijvend uitdragen.
De andere evangelisten stellen de Doper voor als voorloper en wegbereider van Jezus. Niet zo bij Johannes: hij voert Johannes de Doper op als kroongetuige. ‘Kroongetuige’, een term die doet denken aan een proces. Daarvan heeft het eerste hoofdstuk van het vierde evangelie wel iets.
Priesters en levieten uit de kring van de Farizeeën komen hem op zekere dag aan de tand voelen: “Wie ben jij eigenlijk? De Messias, Elia, of een andere profeet?” “Geen van de drie” luidt het antwoord. “Wat sta je dan te dopen? Legitimeer je eens. Onze opdrachtgevers willen een duidelijk antwoord.  Waarop de Doper figuurlijk een stap opzij zet om de weg vrij te maken voor “Diegene die na mij komt. Iemand die jullie niet kennen. In vergelijking met Hem ben ik maar klein grut.” (v 19-28).
’s Anderendaags – en hier begon de evangelielezing van vandaag – komt Jezus daar aangewandeld. Op zich niets bijzonders want die twee kenden mekaar, ze waren trouwens verre familie van elkaar, achterneven. Plots dringt het tot de Doper door dat Jezus die grote Onbekende is waarover hij het gisteren had. En tot de omstanders zegt hij: “Hij is het Lam van God die de zonde van de wereld wegneemt. Dat is de man voor wie ik een stap opzij zet. Hij is de Zoon van God”.’En je moet me niet verwijten dat ik dat gisteren niet heb gezegd, want’, zo voegt hij er tot tweemaal aan toe: “ikzelf wist niet wie het zou zijn”. Dat getuigenis zal en passant ook wel bedoeld geweest zijn voor de oren van de officiële ondervragers die hij daags voordien op bezoek had gekregen.
Je kunt bij de logica van dit verhaal de wenkbrauwen fronsen. Maar dat is niet ter zake. Ik zei het al: onze evangelist is het niet om het verhaal te doen maar om de presentatie van Jezus de Godsman. Met als eerste typeringen: ‘Lam van God’, ‘Zoon van God’. Titels die ook tot onze geloofstaal behoren, maar die we buiten die context, nooit gebruiken. Vandaar dat we er ons ook niet zoveel bij kunnen voorstellen.

Lam van God
Voor het lezerspubliek tot wie de evangelist zich destijds richtte, lag dat anders. Als Jezus wordt genoemd “Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt” dan was dat voor hen vertrouwde taal. Voor hen riep dat beeld een aantal associaties op.
*In eerste instantie dachten zij aan de Dienstknecht van God, een profetische figuur die tijdens de Babylonische ballingschap bezongen werd in een aantal liederen. Jesaja heeft vier ervan opgetekend. Onze eerste lezing was een stukje uit het tweede lied. In het vierde wordt verteld dat die Dienstknecht gefolterd en vernederd werd maar geen kik gaf; dat hij als een lam naar de slachtbank werd geleid, als zoenoffer geslachtofferd om de zonden van het volk (Jes. 53, 7-10). Wie, zoals de eerste christenen, met die teksten vertrouwd is, zal, als hij gaat nadenken over de betekenis van Jezus’ lijden en dood, gemakkelijk de link leggen met de figuur van die Lijdende Dienstknecht.
*‘Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’ deed hen ook denken aan het ritueel van Yomkipoer, de Grote Verzoendag, een van de belangrijkste feesten in het Jodendom. Die dag werd een zondebok – een bok beladen met de zondenschuld van het volk – de woestijn ingejaagd (Lev. 16,10.22). Een symbolische daad om aan te geven dat, op deze Grote Verzoendag,  het volk bevrijd werd van zonde. Het Nieuwe Testament neemt dat beeld over wanneer Jezus’ lijden en dood wordt geduid als de totale verzoening van de mens met God.
*Jezus als Lam van God verwijst ook naar het paaslam dat de joden aten in herinnering aan hun bevrijding uit de slavernij in Egypte. Het bloed van een lam, gesmeerd aan de deurposten van hun huizen, beschermde de Israëlieten, toen God de eerstgeborenen van Egypte deed sterven (de zgn. tiende plaag van Egypte). De evangelist Johannes legt uitdrukkelijk een link tussen Jezus en dat paaslam. In zijn lijdensverhaal lezen we: zoals van het paaslam geen enkel been gebroken mocht worden (Ex. 12,46), zo werden ook de beenderen van Jezus op het kruis niet gebroken en die van zijn twee mede-geëxecuteerden wel (Joh.19,36).
U merkt het: Dat ene zinnetje: ‘Jezus is het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’ is een theologisch betoog in een notendop. Best begrijpelijk voor het lezerspubliek van toen. Maar voor veel lezers van vandaag gaat het vaak hun petje te boven. Hoogstens rijst hier en daar een vage herinnering aan de lessen ‘gewijde geschiedenis’ uit onze schooltijd.

Zoon van God
Behalve het ‘Lam van God’ noemt de Doper Jezus ook ‘Zoon van God’.
In het oude Jodendom verwees het woord ‘zoon’ niet altijd naar de biologische band met ‘vader’, maar ook naar de innige verbondenheid en afhankelijkheid tussen die twee. De zoon ontving van zijn vader niet alleen zijn naam, maar ook zijn opleiding en beroep. Anderzijds was de vader van zijn zoon afhankelijk voor de voortzetting van het geslacht, de erfopvolging en het onderhoud van de familie als de vader oud was of overleden.
De verbondenheid en geestesverwantschap van Jezus met God was zo innig dat Jezus Hem aansprak met ‘Vader’, dat Hij kon zeggen “Ik en de Vader, Wij zijn één” (Joh. 10,30) en “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh. 14,9).
In oudere geschriften wordt ook het joodse volk als geheel soms ‘Zoon van God’ genoemd; waarmee bedoeld werd dat het, midden de andere volken, de gerechtigheid en vrede van God zichtbaar moest maken. Ook de koning van Israël, als representant van het volk, wordt wel eens ‘Zoon van God’ genoemd.
In die lijn zijn de eerste christenen later ook Jezus zo gaan noemen omdat ze gezien hadden dat in Hem Gods werk zichtbaar werd, omdat Hij de mensen duidelijk maakte hoe God wilde dat mensen met elkaar omgingen. Precies door zó te doen gaat Jezus op God gelijken. ‘Een aardje naar zijn vaartje’ zegt een oud Vlaams spreekwoord.
En wat als wij die lijn doortrekken? Als wij, in Jezus’ spoor, doen wat God van ons verlangt; als wij – om het met Huub Oosterhuis te zeggen – “goed zijn als God”, dan gaan ook wij meer en meer op God gelijken en worden ook wij steeds meer ‘kinderen van God’, ‘zonen en dochters van God’.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.