2e Paaszondag B 2015 p

12 april ’15 (Viering)

Feiten die verwijzen
(Jo. 20,19-31)

“Eerst zien en dan geloven”. Met die uit­spraak is de apostel Thomas de geschiedenis ingegaan als de ‘ongelo­vige’ Tho­mas. Oorspronkelijk afkeurend bedoeld klinkt dat bijvoeglijk naamwoord op onze dagen velen positief in de oren. Voor hen is Thomas een man naar hun hart, iemand met wie ze zich kunnen identifice­ren omdat hij het onwaarschijnlijke verhaal dat de Heer aan zijn vrienden zou verschenen zijn, niet slikte als zoete koek. Aan hallucinaties had Thomas-de-buitenstaander – hij was er niet bij de eerste keer – geen boodschap. “Dat de Heer maar eens bewijst dat Hij leeft. Ik moet het voelen, ik wil het zien met eigen ogen”.
Gelukkig maar dat er mensen zijn zoals hij. Want aan hun nuchterheid is weten­schap en techniek ontsproten, hebben wij onze voor­uitgang te danken. Zonder zulke rationeel ingestelde geesten liepen wij nog steeds gekleed in dieren­huiden. We zouden Thomas moeten uitroepen tot patroon van de kritische moderniteit.

Het merkwaardige is nu dat Jezus het verzoek van deze scepticus honoreert. Bij zijn tweede ver­schijning, zegt Hij: “Kom maar Thomas, kijk maar, voel maar. Ik ben het wel degelijk”. En misschien nog merkwaardiger is de reactie van Thomas. Hij zegt niet: “Dank u, Heer, dat ik het persoonlijk mocht controleren; nu weet ik zeker dat Gij leeft”. Nee, Hij zegt: “Mijn Heer! Mijn God!”.

Geloven wordt nogal eens omschreven als: iets voor waar aannemen zonder het zelf ge­toetst te hebben, dus op gezag van een ander. Zo gedefinieerd hoefde Thomas na de tweede verschijning van Jezus niet meer te geloven. Hij kreeg de harde bewijzen die hij vroeg. Hij wist wat hij wilde weten. Wat had hij nog te geloven?
Feiten, tastbaar be­wijs­ma­teriaal op zich, volstaan niet om een mens tot religieus geloof te bren­gen. Jezus mocht wonderen doen zoveel als Hij wilde, bij het grootste deel van zijn tijdgenoten veranderde dat niets aan hun onge­loof. Gelo­ven heeft niet met feiten maar met God van doen. En dat is geen be­wijsbaar gegeven, geen controleer­baar feit. Feiten en gebeurtenissen krijgen maar geloofsbetekenis via een niet-verifieerbare toegevoegde waarde: je moet ze omvormen tot ‘tekens van’, je moet ze optillen tot verwijzingen naar God, en je aan Hem over­geven.
Thomas kwam tot geloof zodra hij de logica van de harde bewij­zen terzijde schoof en oog kreeg voor de boodschap van Godswege. Voor dié boodschap capituleerde zijn kritische geest: Hij boog nederig het hoofd en prevelde: “Mijn Heer! Mijn God!”.
Ook Jezus zegt dat je geloof niet moet proberen te bewijzen: “Gelukkig zij die zonder gezien te hebben, toch tot geloof komen”. Het harde bewijs dat Thomas vroeg en kreeg, was even waardeloos als bv. de armoedige bewijs­kracht van het lege graf. Ook daarmee kun je zowel de kant van het geloof op als die van het ongeloof. De geloofsrele­vantie ervan zit hem in het ­openba­ringskarakter: de boodschap ‘Jezus leeft’ leert dat God, ondanks de gebeurtenissen op Golgotha, de mens niet in de steek laat. Die boodschap is niet ‘bewijsbaar’; ze heeft maar zin en betekenis voor iemand die er zich voor openstelt: “Wees gelovig, Thomas. Aanvaard nu eindelijk eens dat Ik – ook voorbij kruis en dood – er ben met jou en voor jou”. Liefdeswoorden die Thomas raken tot in het diepste van zijn ziel: “Mijn Heer! Mijn God!”. Door deze geloofsbelijdenis vindt hij weer aansluiting bij zijn medeleerlingen, tot wie Jezus bij zijn eerste bezoek gezegd had: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie”.
* * *
Toch zit er me nog iets dwars in dit evangelieverhaal.
Thomas gelooft op het woord van Jezus. Maar wat Jezus tot hem zegt, is in feite niets anders dan een herhaling van wat Hij bij zijn eerste verschijning tot de andere apostelen had gezegd. Waarom kon Thomas dan zijn vrienden niet op hun woord geloven toen zij hem daarover vertelden?
Zijn sceptische ingesteldheid heeft zeker een rol gespeeld. Maar tegelijk leek het alsof de apostelen zelf maar half geloofden wat ze vertelden. Als Jezus hun werkelijk verschenen was – moet Thomas gedacht hebben – hoe kan het dan dat zij hier nog rustig bijeen blijven zitten in dit zaaltje? Zou je niet eerder verwachten dat zij er onmiddellijk op uit trokken om de bood­schap  ‘Jezus leeft’ van de daken te schreeuwen? Als een aan het kruis gestorvene plots in je midden staat, dan ben je daar op zijn minst onderste boven van… (Zoals je weet, braken de apostelen pas uit hun beslotenheid op Pinksterdag, de dag van de vurige tongen van Gods Geest.)

Ik denk dat we hier raken aan het diepste waarom van zoveel ongeloof op onze dagen.
Heel wat mensen zeggen dat ze in Jezus geloven. Maar voor buitenstaanders is het geloof van die zogenaamde volgelingen nauwelijks geloofwaardig. Hoeveel overtuigingskracht straalt het geloof van christenen uit?
In ons dagdagelijks leven lopen wij voortdurend ongelovige Thomassen tegen het lijf, mensen die misschien wel zouden willen geloven, en daarom willen voelen wat geloof voor ons, christenen, betekent, mensen die ons vragen om onze handen en onze zijde te laten zien. Maar als daarin geen littekens staan van onze strijd voor gerechtigheid en vrede, als uit onze ogen geen vonken van enthousiasme spatten, dan kunnen zij niet in ons geloven, dan kunnen ze niet geloven in het geloof waarin wij zeggen te geloven… Niet ten onrechte verwachten zij dat wij zijn zoals – of minstens toch een beetje gelijken op – Diegene die, in Gods naam, zijn leven gaf om onze mensenwereld wat mensvriendelijker te maken… En die ver­volgens tot ons zei: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie”.
Marc Christiaens o.p.


 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.