28e zondag door het jaar C 2013

13 okt. 2013                                                                     (Viering)

Goddank!
(Lc. 17,11-19)
Met 10 riepen ze: “Jezus, heb medelijden met ons”. Er was maar 1 tot wie Jezus mocht zeggen: “Uw vertrouwen is uw redding”. Waar waren de 9 anderen? (v.17). Een bedankje was zeker niet misplaatst geweest.
Dankbaarheid kun je niet eisen, dat is een vrije gave… hoorden we Jezus vorige week zeggen in zijn parabel over de heer en zijn slaaf (Lc. 17,5-10). Maar vandaag lijkt Jezus op zijn teen getrapt omdat Hij geen ‘merci’ krijgt…
Ja, Jezus reageert geïrriteerd. Maar niet omdat die 9 het vertikten ‘dank u’ te zeggen. Waarom dan wel?
Even terug naar de tekst.
Na zijn genezing keerde die ene melaatse terug om God te verheerlij­ken, staat er (v 15). Waarop Jezus reageert: “Zijn die anderen dan niet teruggekeerd om aan God eer te brengen”? (v 18). Wat in Jezus’ ogen belangrijk is, is dat mensen erkennen dat, in zijn helend optreden, niet Hijzelf maar Gods menslievendheid aan het werk is. Geloven heeft te maken met een bepaalde manier van zien, van in-zien, van door-zien: zien wat er schuilgaat achter datgene wat elkeen met het blote oog kan zien. Geloven is zien met de ogen van het hart. Want alleen daarmee kun je onder de oppervlakte in de diepte zien, en uitroe­pen: Goddank!

Ons evangelieverhaal is hiervan een mooie illu­stratie. Het speelt zich af op twee niveau’s: het niveau van het blote oog, van de feiten; en het niveau van het hart.
Eerst dat van de feiten.
10 melaatsen – buiten­geslo­ten uit het dagdagelijkse functioneren van de goegemeente. Alsof er een vloek op hen rust. “Zij bleven op een  afstand staan”, lezen we (v 12). Zo hoorde het ook: uit de buurt blijven van gezonde mensen. En van­daar riepen ze luidkeels “Jezus, heb medelijden met ons”.
Ze kennen Jezus dus, minstens van naam, misschien maar van horen zeggen. Toen Jezus op hun geroep reageerde met “Ga u aan de priesters laten zien”, deden ze dat. Blijk­baar geloofden zij alle 10 in Jezus’ genezende kracht. [Wij doen ook wat de arts ons zegt, want wij vertrouwen op zijn vakbe­kwaam­heid. In prewetenschappelijke culturen gelooft men in de reli­gieuze of magi­sche vakbekwaamheid van gene­zers.] Dat zich tonen aan de pries­ters, was wettelijk voorgeschreven: een ex-melaatse kon pas opnieuw in de samen­le­ving worden opgenomen nadat hij door een priester ziek­te-vrij was ver­klaard (Lev.13).
De priesterlijke controlerende geneeskunde bevestigde dat die 10 van hun melaatsheid gereinigd waren. De genezer had zijn werk goed gedaan. Weer in de gemeenschap geïntegreerd, kunnen ze ver­der. De ontmoeting met Jezus had hen nieuwe levenskansen gegeven. Het wonder van Jezus’ helende nabijheid gold voor alle 10.
Met die vaststelling houdt voor 9 van de 10 de relatie met Jezus op. Bij de 10de is er meer gebeurd dan genezen en weer geïntegreerd zijn in de dorps­gemeen­schap. Hij wist zich ook geraakt door de per­soon van Jezus. In diens helende kracht heeft hij Gods nabij­heid ervaren. In wat hem overkwam, erkent hij Wie hem overkomt. En dankbaar keert de man terug en “verheerlijkte God met luide stem”. Hij keerde terug naar en bracht hulde aan de Bron van waar­uit Jezus hem gene­zend had aange­ke­ken. Hij had begrepen dat Jezus geen gene­zer/wonderdoener was zoals er in die tijd nog rondliepen, maar een mensenheler van Godswege. Geen die zich­zelf verkon­digt maar iemand die Gods nabije aanwezig­heid zichtbaar wil maken. Iemand die de han­den, de voeten en het ge­zicht wil zijn van een mens­lievende God die mensen in nood heelt, en uitge­stote­nen inte­greert. Die diep­tedimen­sie van Jezus’ optre­den is geen kwestie van weten, van geloven met je ver­stand zoals die 9 deden, maar van ‘er voor open staan’, van ‘willen zien met de ogen van je hart’. Jezus keek de 10 melaat­sen genezend en relatie­stichtend aan; één ging op dat relatie­aanbod in. Een relatie die uitno­digt, die moti­veert om zelf  ‘Gods handen, voeten en ge­zicht’ te worden: “Sta op, uw vertrouwen is uw redding. Ga op weg” om op jouw beurt mensen in nood helend nabij te zijn en uitgestote­nen weer binnen boord te halen.

Die ene was een Samaritaan. Samaritanen waren in Joodse ogen ongelovige vreemdelin­gen met wie ze liever niets van doen hadden (Jo. 4,9). Toch voert Lucas geregeld een Samaritaan ten tonele als model voor wat geloven in Jezus in­houdt. Denk bv. aan de parabel van de Barmhartige Samari­taan, die enkel bij Lucas te vinden is (10,25-37). Dat kan geen toeval zijn.
Niet alleen, maar ook en misschien vooral inzake geloof trekken mensen graag dui­delijke scheidslijnen: gelovi­gen en niet-gelovigen, katholieken en protes­tan­ten, chris­tenen en moslims, en in Jezus’ tijd: joden en Samaritanen. Etiketten scheppen orde in de wanorde, maken het geheel over­zichtelijk en het praten erover gemak­ke­lijker. Maar de kleur van die etiketten blijkt niet neutraal te zijn: de ratio­ne­le indeling in vakjes wordt snel een morele indeling: juist tegenover vals; wij hebben de waar­heid en dus zij niet; wij, de goeden, zij de slech­ten. Neen – zegt Lucas – die in mensenogen duidelijke scheidslijnen tussen Joden en Samaritanen, tussen geloof en ongeloof, tussen goeden en slechten, vallen niet samen met goed en slecht, geloof en ongeloof in Gods ogen. Onder de zoge­naamde rechtgelovigen – in Jezus’ tijd:  wetgetrouwe joden; naar ons toe vertaald: kerkgetrouwe katholieken – zitten er heel wat die lijden aan geloofsblind­heid. ‘De waar­heid bezit­ten’, ‘zich braafjes aan de regels hou­den’ zijn, in Gods ogen, geen doorslaggevende criteria om iemands geloof te toetsen. Voor Hem is geloven een kwestie van openstaan voor wat Jezus ons aan­reikt ten leven. Geloven is geen ver­standsaangelegen­heid, maar relationele verbonden­heid. Je treft geloof aan waar je het soms het minst verwacht: bij Samaritanen, bij bui­tenstaan­ders die volgens jouw etikettering in het verkeerde geloofshokje zitten.

Je mag met z’n allen roepen: “Jezus, heb medelijden met ons”. Wees gerust, uw bede wordt verhoord: In Jezus toonde God dat zijn helende nabijheid er is voor allen, voor élke mens zonder onderscheid. Want God heeft lak aan etiket­ten. Maar slechts de Samaritaan die op zijn stappen terug­keert om “Goddank” te zeggen, zal te horen krijgen: “Sta op. Uw vertrouwen is uw redding”
Marc Christiaens o.p.


Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.