28e zondag door het jaar B 2018 p

13-14 okt. 2018                 (Viering)

Hinderlijk bezit. (Mc 10, 17-30)

U kent ze wel, die heren van middelbare leeftijd met een meer dan behoorlijk inkomen, misschien deels verworven met enige lef, maar zeker ook door jarenlang hard werken.
Er was eens zo’n man, een rijke koopman. (Dit verhaaltje speelt zich af ergens in de 12de eeuw.) Die man had een zoon, voorbestemd om in het voetspoor van zijn vader te treden. Net als zijn vader had ook die zoon slechts een vaag vermoeden dat er op de wereld ook nog iets bestond als armoede.
Maar daarmee hield de gelijkenis tussen die twee ook op. Zoals wel vaker gebeurt, had de zoon een hekel aan zijn door zijn vader geprogrammeerde toekomst. Het vooruitzicht zich dag in dag uit uit de naad te moeten werken… er zijn plezieriger dingen in het leven. Als rijke fierefluiter had hij doorgaans geen last van dorst of eenzaamheid. Uiteraard was de vader daar niet gelukkig mee. Of hij nu smeekte of zich kwaad maakte, zoonlief ging lekker door met zijn braspartijen. Ten einde raad ging de vader zijn nood klagen bij de bisschop, die hij persoonlijk goed kende, want, zoals dat gaat in de betere kringen: ons kent ons.
De bisschop nodigde vader en zoon bij zich uit. Blijkbaar was die bisschop iemand die van wanten wist, want tijdens dat gesprek werden flink wat harde noten gekraakt. Op een bepaald ogenblik stond de zoon uit zijn zetel op en ging naar zijn vader toe. Hij gooide zijn beurs vol goudstukken voor diens voeten, daar bovenop zijn met gouddraad bestikte mantel, en vervolgens trok hij ook nog zijn chique kleding uit. Getooid in zijn ondergoed, weliswaar geweven van fijn lijnwaad, zei Francesco di Bernadone tot zijn vader: “Tot de dag van vandaag heb ik u ‘mijn vader’ genoemd. Voortaan wil ik God dienen; Hij die onze Vader in de hemel is. Daarom geef ik u het geld terug dat voor u zo belangrijk is, en ook de kleren die ik van u gekregen heb.”

De naam di Bernadone zegt u wellicht niet veel. En toch kent u die Francesco, zij het onder zijn latere naam: Franciscus van Assisi.
Het gebeurt wel vaker dat bekeringsverhalen door vrome fantasie een beetje worden aangedikt. Feit is wel dat menigeen uit zijn omgeving zich afvroeg of er psychisch niet iets mis was met Francesco toen ze hoorden van zijn plotse bekering. Wij weten intussen dat hij niet gek was maar een groot heilige – alhoewel…, als we heiligen beoordelen met onze gebruikelijke maatstaven zijn het soms rare snuiters.

Het Jezuswoord “Ga verkopen wat u hebt, geef het aan de armen en kom dan terug om Mij te volgen” werd door Franciscus letterlijk opgevolgd. De rijke uit ons evangelieverhaal zette die stap niet. En toch is hij geen slecht mens: hij bemint God met hart en ziel, houdt zich aan wet en geboden, gaat ’s zondags naar de kerk, gaat op bezoek bij zijn ouders in het bejaardentehuis, doet geen vlieg kwaad, steelt niet, beledigt niemand…, kortom, hij is een voorbeeldig burger – iemand waarin de meesten van ons zich zonder moeite kunnen herkennen.
Maar desondanks voelt de man zich niet lekker in zijn vel. En dat gevoel drijft hem, wellicht na lang aarzelen, naar Jezus toe: “Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?”

Met zijn antwoord probeert Jezus de man duidelijk te maken dat hij te restrictief is ingesteld. Steeds is hij op zijn hoede om toch maar geen van Gods geboden of die van de Kerk te overtreden. Maar nooit doen wat verboden is, is in Gods ogen nog geen volwaardig leven. Gefixeerd staan op regels en voorschriften, op ‘wat moet en wat niet mag’, maakt blind voor de creativiteit die nodig is om te zien wat wij aan goeds kunnen doen in ons leven.

Op de vraag wat hij moet doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven, biedt Jezus hem een uitweg aan: probeer het eens anders, maak je vrij om echt te kunnen leven; dan kun je mijn volgeling worden. En de weg die Jezus aanwijst om een bevrijd mens te kunnen worden, is verrassend: maak je los van wat je bezit. Verrassend omdat het het tegenovergestelde is van wat wij beweren. Volgens ons creëren bezit en geld juist vrijheid: je kunt gaan en staan waar je wilt, je kunt kopen wat je belieft. Akkoord, je kunt die vrijheid ook misbruiken, maar het is wel vrijheid.
Neen, zegt Jezus, geld en bezit maken niet vrij, ze verhinderen juist vrijheid!
Waar haalt Jezus dat? Waarom is het volgens Hem zo moeilijk voor mensen met geld om het Koninkrijk van God binnen te gaan? Wat is de achterliggende redenering als Hij zegt dat men zijn vader en moeder, zijn broers en zusters moet achterlaten omwille van Hem?

Ik denk dat Franciscus ons kan helpen om op die vragen het antwoord te vinden.
Hij nam de suggestie van Jezus letterlijk: hij liet alles los. En kreeg het – zoals Jezus het in het vooruitzicht stelde – honderdvoudig terug. Ik bedoel daarmee niet in de eerste plaats dat Franciscus brak met zijn vader en heel zijn familie om God te volgen, en er als stichter van een kloosterorde een hele schare volgelingen voor in de plaats kreeg. Belangrijker nog in het leven van Franciscus vind ik dat, door afstand te nemen van bezit en relaties, alles wat leeft en adem haalt tot broer en zus van Franciscus is geworden. Hij geniet, en zingt over de zon en de bloemen, hij spreekt met de vogels en zorgt voor de vissen.

Wie voortdurend bekommerd is om wat hij is en heeft, is daartoe niet in staat; slechts wie niet door geld en goed gehinderd wordt, is vrij genoeg om zich voor de buitenwereld ten volle open te stellen.
Geld en goed, en relaties zijn niet zo neutraal als op het eerste gezicht lijkt. In bezit zitten de wortels van het willen bezitten, van willen beheersen, van de angst om iets kwijt te raken, van de hunker naar nog meer. Wie zich geen zorgen hoeft te maken over bezit, kan met een gerust gemoed naar iedereen toegaan en hem aanspreken als gelijke, die heeft niets te verliezen, die hoeft voor de ander niet bang te zijn. Maar bezit verdeelt mensen in categorieën: ik en de anderen die ik in het oog moet houden dat ze me niet in de luren leggen; ik en zij aan wie wat te verdienen valt. Bezit zaait tweedracht. Daarom hebben bezitters het zo moeilijk om het Rijk Gods binnen te geraken, omdat geld en aanzien en macht de aandacht concentreren op zichzelf en de relatie met anderen dreigen te verpesten.

Armen vinden wij zielig, omdat ze zo gênant weinig hebben van wat wij essentieel achten om menswaardig te kunnen leven. Daarom zijn wij bereid om hun wat te geven van onze overvloed. Bedelbrieven allerhande nodigen ons daartoe bijna dagelijks uit.
Dat deed die man uit het evangelie ook. Maar hij kreeg van Jezus te horen: “Gij gokt op het verkeerde paard! Niet ‘zielig de armen’, maar ‘zielig de rijken en zalig de armen’”. Begrijp die Jezuswoorden niet verkeerd! Jezus is niet allergisch voor geld of een auto; Jezus vindt het niet prachtig als mensen niet in staat zijn in hun elementaire levensbehoeften te voorzien. Jezus ageert wel tegen bezit voorzover dat ons oriënteert op en dirigeert naar een leven dat gedomineerd wordt door angst en door hunker naar meer. Wij zijn zielig omdat wij behoren tot de gevestigde elite die alles heeft en dus veel te verliezen heeft. Wij zijn zielig, omdat wij volgens de normen van onze samenleving rijk zijn, maar tegelijk, én misschien juist daardoor, een leven leiden dat vaak leeg en zinloos is.

Een mens leeft niet van brood alleen. Meer nog. Van brood alleen ga je dood!
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.