27e zondag door het jaar C 2016 p

 2 oktober 2016         (Viering)

MEER DAN JE PLICHTEN
(Lc. 17,5-10)
Tijdens zijn lange voettocht op weg naar Jeruzalem had Jezus een reeks parabels verteld en enkele keren heel duidelijk de puntjes op de i gezet. Gaandeweg drong het tot de leerlingen door dat Jezus écht navolgen, geen klein bier is. Vandaar hun verzuchting, waarmee de evan­ge­liele­zing van vandaag be­gint: “Heer, versterk ons vertrouwen.”
Jezus reageert wat raar op dit verzoek. Zijn antwoord lijkt niet of nauwelijks ter zake. Hij begint met een beeldspraak en dan volgt een korte, wat vreemde parabel.

In die beeldspraak gaat het over de kracht van vertrouwen op God. Daarmee kan je een moerbei­boom verplanten – zegt Hij. Er groeien nogal wat moerbeibomen langs de oever van het meer van Galilea. Ze kunnen heel oud worden en hebben breedver­tak­te en bijzonder taaie wortels. Verplanten is totaal onmoge­lijk. Een vergelijkbare beeldspraak kennen we uit het Mattheüsevange­lie. Daar gaat het over geloof dat bergen verzet.

De parabel handelt over een heer en zijn slaaf. Op ‘loon naar werk’ of  een ‘dank u wel’ vanwege zijn heer hoeft een slaaf niet te reke­nen. Hij heeft gewoon te doen wat hij moet doen.
Als je de tekst snel doorleest of met een half oor beluisterd, hebt zou je kunnen denken dat het in deze parabel gaat over de sociale verhouding tussen baas en ondergeschikte. Maar dat is niet het geval.
– Het is geen boodschap aan machthebbers, in de zin van: let op, onderge­schikten hebben naast plichten ook rechten.
– Het is evenmin een boodschap aan ondergeschikten, in de zin van: let op, jullie hebben niet alleen rechten maar ook plich­ten.
– Evenmin worden hier mensonwaardige slaventoestanden goedge­praat.
Onze parabel is wel degelijk een antwoord op het verzoek “Heer, versterk ons vertrouwen”, en wil ons dus iets duidelijk maken over de verhou­ding tussen God en de mens. Maar op het eerste gezicht ziet het er voor de mens niet zo mooi uit. Wij, gelovigen, worden verge­leken met slaven, waarvan gezegd wordt: ze moeten werken en ze moeten blijven werken. Dat hoort nu eenmaal zo voor een slaaf.

Jezus keert zich hier tegen een bepaald soort godsdienstbele­ving.
Nogal wat mensen vatten de verhouding tussen God en mens op als een soort contract: wanneer ik geregeld ’s zondags naar de mis ga en de tien geboden een beetje in acht neem, dan heeft ook God zich aan zijn deel van het contract te houden en dus moet Hij voor mij maar een goed plaatsje reserveren in de hemel. Jezus wijst deze eigen-verdiensten-vroomheid af. De mens heeft God niet in zijn greep via een contractueel ‘voor wat, hoort wat’.

Met deze parabel daagt Jezus – niet alleen zijn leerlingen maar ook ieder van ons – uit om méér te doen dan alleen maar ‘je plichten’. Wie alleen maar doet wat hij moet doen, doet eigenlijk niets bijzon­ders. Denk ook aan die andere uitspraak van Hem: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet zijn vijanden beminnen. Wie slechts zijn vrienden bemint, doet niets bijzonders, want iedereen houdt van zijn vrienden” (Lc. 6,27 + 32-33). Het Rijk Gods vraagt van ons geen minimale maar maximale inzet. Wie zich christen noemt, moet het leven door een Christus-bril bekijken, moet zijn leven spiegelen aan dat van Jezus.
Wat houdt dat in? God wil het geluk en welzijn van elke mens. Jezus kwam in de wereld om daaraan handen en voeten te geven. En in onze tijd moeten wíj aan dat Godsverlangen handen en voeten geven.
De kern van ons geloof is niet: ‘mag het of mag het niet’. Geloven is ook geen loutere zaak van rechten en plich­ten. Ons geloof vraagt een positieve ingesteld­heid: jezelf vrijma­ken, jezelf open­stellen in gebed, in bezin­ning, zodat er ruimte ontstaat voor de inspiratie en de creativiteit van Gods Geest.

Dat is nogal wat. Dat vergt een andere manier van leven. Best begrijpelijk dat we even aarzelen en net als de leerlingen verzuchten: “Heer, geef ons wat meer vertrouwen”.
Maar Jezus kaatst de bal terug: Het is geen kwestie van méér; vertrouwen ter grootte van een minimosterdzaadje is genoeg. Niet ter grootte van een kiezelsteentje want een kiezel­steentje groeit niet. In een mosterdzaadje zit immers groeikracht. Maar van­zelf groeit het niet. Je moet er wel wat voor doen. Een mos­terdzaadje moet je in de grond stoppen, je moet het gere­geld wat water geven en bemesten. En onder die voorwaarde mag je vertrouwen op zijn groeikracht.

Vertrouwen in de groeikracht van je geloof sluit het onmoge­lijke niet uit.
Een berg lijkt niet te verplaatsen. Die moerbeiboom lijkt heel vast in de grond te staan. Verdriet lijkt niet geheeld te kunnen worden. Ruzie lijkt zich te verharden. Oorlog en geweld lijken onstuit­baar.
Maar voor wie op God vertrouwt … is niets onwrikbaar.
Plant dat mosterdzaadje maar eens tussen de stenen van een oninneembare vestingmuur. De wortels breken die muur langzaam open. Zet zelf maar eens een stap op de weg van vrede. Steek maar eens voorzichtig een hand uit naar een iemand die je liever de rug toekeert. Dan zal je eens zien wat er ge­beurt!
Niet meteen misschien. Creatief handelen waartoe godsvertrouwen inspireert, vraagt geduld en vasthou­dendheid. Het is als een mosterdzaad­je, zegt Jezus, niet als een snelwerkend dafalganneke. Het heeft tijd nodig. Geef het de tijd om rustig op te schieten. En vergeet niet het geregeld water te geven, en wat extra mest­stoffen. Als je het zo aanpakt, dan lukt het. Dan mag je vertrouwen op de groei­kracht van je mosterdzaadje. Dan mag je vertrouwen op de groeikracht van je godsvertrouwen.
Marc Christiaens o.p.


Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.