27e zondag door het jaar C 2013

6 okt. 2013                                                      (Viering)

Vertrouwen  (Lc. 17, 5 – 10))

Larie en apekool: een moerbeiboom laat zich niet zomaar verplanten, en zeker niet naar zee. En de kleinheid van een mosterdzaadje heb ik nog nooit met eigen ogen kunnen vaststellen, evenmin als de grootte van de boom of de struik die daaruit kan ontkiemen en groeien.
Maar als tuinliefhebber weet ik wel hoe ik in de lente het zaaigoed mag toevertrouwen aan de bruine aarde en in de zomer en in de herfst met ongelofelijke, dankbare be- en verwondering mag oogsten. Vertrouwen in de groeikracht van het zaad, onontbeerlijk.
Maar de leerlingen vragen méér vertrouwen. En de directe aanleiding voor die vraag ligt in het evangeliefragment net voor de lezing van vandaag. Daarin maant Jezus zijn leerlingen aan om altijd opnieuw te vergeven als iemand oprecht spijt betuigt. Vergeven, misschien wel het moeilijkste in een mensenleven.
De leerlingen beginnen zich iets te realiseren: hoe dichter ze bij Jeruzalem komen hoe meer richtlijnen, raadgevingen en vermaningen ze van Jezus meekrijgen. Hij stoomt hen klaar om – na hem – ook zijn weg te gaan. En dat Jezusprogramma blijkt niet van de poes. De leerlingen betwijfelen of ze het nog wel allemaal kunnen bolwerken. Wat extra ondersteuning lijkt hun meer dan welkom. Vandaar wellicht hun verzuchting van vandaag: versterk ons vertrouwen.
Maar Jezus gaat niet in op hun goedbedoelde vraag naar meer vertrouwen. Zijn antwoord klinkt zelfs nogal bruusk: je hebt niet méér vertrouwen nodig, gewoon ‘vertrouwen’ is genoeg. Niet af te meten in gradaties, geen louter intellectuele activiteit waarvoor meer of minder inspanning nodig is. Vertrouwen heeft te maken met het hart, met affectie en overgave, grondhouding van relaties.
Ofwel vertrouw je iemand en dan kan die vertrouwensrelatie in beide richtingen erg stimulerend en stuwend werken. Ofwel vertrouw je iemand niet of niet meer. En als het vertrouwen geschonden is, dan blijkt de relatie tussen mensen vertroebeld en vaak onherstelbaar beschadigd.
Je moet niet vragen om meer vertrouwen, zegt Jezus, je moet het vertrouwen dat je hebt vertrouwen. Hoe klein het je ook lijkt, twijfel er niet aan want er kan een enorme kracht van uitgaan die de meest onmogelijk gewaande idealen kan verwezenlijken. Het woord vertrouwen uit Jezus’ mond verwijst immers naar die bovenmenselijke relatie. Als kinderen van eenzelfde Vader mogen wij rekenen op die scheppende kracht die ons ooit deed ontkiemen. En als we durven groeien in de richting die Jezus ons aanwijst dan zal die scheppingskracht ook dat groeiproces begeleiden, altijd en overal.
Dat Godsvertrouwen is niet zo uitzonderlijk als het op het eerste gezicht wel lijkt. In het Lucasevangelie alleen al herkent Jezus het herhaaldelijk in mensen: de vrouw met de bloedvloeiing, Jaïrus met zijn stervend dochtertje, de begeleiders die de lamme door het dak laten zakken, de slaaf van de centurio uit Kafarnaum, de zondares in het huis van de farizeeër, – tot al deze mensen zegt Jezus: ga, je vertrouwen heeft je gered.
En aan zijn leerlingen die de angst toelaten tijdens de storm op het meer zegt hij: waar is jullie vertrouwen. Godsvertrouwen als buffer tegen de menselijke existentiële angst.

Ook in onze tijd, in onze eigen omgeving leven mensen vanuit dat Godsvertrouwen. Ze realiseren dingen die de buitenwereld voor onmogelijk houdt, hopen tegen beter weten in, geven nooit op en ervaren op de cruciale momenten hoe ze kunnen putten uit een kracht die hen gratis en voor niks wordt geschonken, alsof hun draagvermogen van hogerhand wordt uitgebreid met een extra externe harde schijf. Vaak zijn het ook bescheiden mensen die zich niet laten voorstaan op het feit dat ze grote daden verrichten. Ze helpen mee aan het heilsplan van de Heer, maken de wereld een beetje mooier en vinden dat niet meer dan normaal. Op hun eigen kleine plaats doen ze hun best en vertrouwen erop: God doet de rest.

En wellicht wordt die houding bedoeld in dat tweede – ietwat rare – deel van onze evangelielezing: de slaaf die toch niet moet worden beloond omdat hij gewoon zijn werk doet.
Ook die uitspraak klinkt een beetje cru omdat in ons dagelijks leven een extra ‘dank u wel’ van onze hogergeplaatste opdrachtgevers af en toe heel welkom is.
Maar Jezus bedoelt hier wellicht dat de ‘voor wat, hoort wat’-mentaliteit – die we spijtig genoeg zo vaak aantreffen binnen menselijke relaties – , dat die mentaliteit niet thuishoort in onze relatie met de Vader. Want verankerd in zijn liefdevol vertrouwen mogen wij – zonder dat we daaraan ook maar enige verdienste hebben – ontkiemen, vertrouwvol groeien en liefdevol vrucht dragen. En daarbij horen enkel verwondering en een mateloze dankbaarheid. Amen.
Bea Duys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.