26e zondag door het jaar C 2019 p

29 september 2019                     (Viering)

Eigendomsrecht – eigendomsonrecht.
(Lc 16, 19-31)

Goede Vrienden,
Wat is er mis mee als ik na jaren hard labeur een zekere welstand verworven heb? Wat is er mis mee als ik mijn bezit verzeker en beveilig tegen mogelijke risico’s? En als ik enige reserve wil aanleggen tegen eventuele noodsituaties? Wat is er mis mee als ik mijn kinderen wil helpen bij de moeilijke start naar zelfstandig leven?
Daar is niets mis mee. Dat noemen we in ons rechtssysteem het eigendomsrecht.

Maar als ik, ten koste van anderen, steeds meer wil verwerven, meer dan nodig is om een menswaardig leven te leiden, dan begint het eigendomsonrecht!
De rijke man in ons verhaal had de bedelaar voor zijn deur wel degelijk opgemerkt, want, aangekomen in het dodenrijk, erkent hij hem onmiddellijk bij naam.
Zo kunnen ook de rijken van vandaag moeilijk beweren: “De wereld van armoede? Daar kan ik toch niets aan veranderen. Ik ken die niet, ik ben er nooit mee geconfronteerd geweest”.
Iedereen, u en ik, en ook de rijken, zit dagelijks voor zijn televisiescherm te kijken naar beelden over leven in armoede in de derde en vierde wereld… Duiken dergelijke beelden weer eens op, dan kun je geneigd zijn je bril af te zetten om de glazen nog eens grondig op te poetsen… of met één druk op de knop die confronterende beelden weg te zappen… Een excuus is vlug gevonden om onze gemoedsrust niet te laten verstoren.

Destijds hoorde ik een prof in economie verkondigen – een pater Jezuïet nota bene – dat frauderen in een belastingsaangifte moreel acceptabel is vermits bij het berekenen van de aanslagvoeten frauduleus gesjoemel ingecalculeerd is… Zelfs voor een Jezuïetenpater zijn eigendomsrecht en eigendomsonrecht niet altijd duidelijk afgebakend.

Je geweten sussen en je ogen sluiten voor onrecht, dààrover gaat het in onze evangelielezing. Niet willen weten wat de bekende Franse econoom Thomas Piketty met harde cijfers heeft bewezen: dat op wereldvlak de kloof tussen arm en rijk steeds maar blijft groeien. Het maakt onze parabelboodschap steeds maar actueler!
 
Onze parabel veroordeelt een mens niet omdat hij beschikt over een eigendom of omdat hij wat geld op de bank heeft staan. Bezitten op zich wordt hier niet aangeklaagd, wel wanneer bezit aanzet is tot cocooning, een reden is om zich voor zijn medemens af te sluiten. Zo keert men zich af van wat Jezus bedoelt met het meebouwen aan het Koninkrijk Gods op aarde: een wereld waar mensen bijdragen aan elkaars geluk. Het hedendaags humanisme hanteert als gulden regel:  doe je medemens niet aan wat je niet wil dat een ander jou zou aandoen. Onze christelijke moraal zet een stap verder: “Doe voor je naaste wat je zou willen wat anderen voor jou doen”.
Want daar gaat het om als we het hebben over solidariteit: oog hebben voor het welzijn van anderen. Betrokkenheid! Betrokkenheid gaat verder dan strikt juridische rechtvaardigheid. Betrokkenheid uit zich in genereus gedrag, vraagt om een persoonlijke inzet. Sommige politieke partijen hoor je roepen: steun de armen en haal daarvoor het geld bij de rijken. Het appel van de Jezusboodschap richt zich tot iedereen en is geen loutere geldkwestie. Wees je medemens nabij met verantwoordelijkheidsgevoel en een warm hart.  En kijk ook verder dan de bedelaar die aan je voordeur zit.

Zo moeten we ook aandacht hebben voor het milieu, voor de opwarming van de aarde. Zonder ingrijpende maatregelen hangen ons in de nabije toekomst ernstige milieurampen boven het hoofd. De eerste en grootste slachtoffers daarvan zullen de bewoners van de arme landen zijn. In zijn encycliek Laudato Si roept paus Franciscus niet alleen op om te zorgen voor moeder aarde, maar legt hij ook de link naar sociale rechtvaardigheid.

We worden waarschijnlijk, meer dan alle voorgaande generaties overspoeld met beelden van leed. Elke dag komen ze via het televisienieuws onze huiskamer binnen. Het is gemakkelijk om moe van alle medelijden te worden en het is verleidelijk om deze beelden uit ons bewustzijn te bannen, door onszelf voor te houden dat we persoonlijk niets kunnen doen en dat al die ellende niets met ons te doen heeft.
We mogen onszelf echter niet toestaan ons verlamd te voelen door de immense omvang van het leed in de wereld.  We hoeven niet naar een ver land te reizen om ter plaatse hulp te gaan bieden. We moeten gewoon met andere ogen kijken in onze onmiddellijke omgeving.
Onze denkwijze trainen om het aanwezige verdriet naast onze deur werkelijk onder ogen te zien. Als we daartoe bereid zijn, dan zal Hij, diep in ons binnenste, ons wel ingeven hoe we daadwerkelijk kunnen helpen!
Paul Caroen

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken met de tags . Bookmark de permalink.