26e zondag door het jaar C 2013

 29 sept. 2013                                                      (Viering)

De onoverbrugbare kloof
(Lc. 16,19-31)

Twee tegenspelers in onze parabel: een rijke en een bedelaar. Dat die bedelaar ‘Laza­rus’ heet, is niet toevallig. ‘Lazarus’ komt van het hebreeuwse El’azar, wat betekent  ‘God helpt’.
Tussen die twee is er nauwelijks afstand: Lazarus ligt letter­lijk voor de deur van het huis van de rijke. Hij kan, bij wijze van spreken, de kruimels van de tafel zien vallen, maar opeten kan hij ze niet. En toch ziet de rijke hem niet liggen. Wat je niet wíl zien, zie je ook niet. Onverschillig­heid creëert afstand, schept een kloof, zo breed dat de ander achter je horizon verdwijnt. Ook al ligt hij aan je voordeur.
Die kloof van onver­schilligheid kon Lazarus niet overbruggen. Alleen de rijke kon dat. Maar die deed het niet.

Beiden gaan dood. De rijke wordt met veel pompa ten grave gedragen; Lazarus, die onbegraven blijft [wie zou daar zijn handen aan vuil maken?] wordt door engelen in de schoot van Abraham neergelegd.
Blijkt dat de rijke destijds die bede­laar aan zijn voordeur wel had opgemerkt. Want in het dodenrijk erkent hij hem onmid­dellijk; hij kent zelfs zijn naam… De rollen van toen zijn nu omge­keerd. De rijke zoekt nu hulp. Maar wat niet is veranderd: de af­stand tussen beiden. De kloof in het hiernamaals is even breed als die welke de rijke in het hiernumaals gecreëerd heeft. Alleen is die kloof nu ge­fixeerd. Ze is in beide richtingen onoverbrugbaar gewor­den.

Gunt Lucas ons hier een blik op het leven na de dood? Ja en neen. Als met de vraag bedoeld is of onze evangelist  hier een beschrijving geeft hoe het er na de dood con­creet aan toe gaat, dan is het antwoord ‘neen’. Lucas heeft het over de hel als een vuurpoel en de hemel als opname in de schoot van aartsvader Abraham. Dat is beeld­taal die aan­sluit bij de manier waarop zijn joodse toehoorders van toen zich het hier­namaals voorstelden. Elders in het Nieuwe Testament wordt daarover in heel andere termen gesproken. In het boek Openbaring bijvoor­beeld. Daar is het uit­gangs­punt: God is leven. Eeuwig leven betekent dan: op één of andere manier deel hebben aan God. Wie heel zijn leven God genegeerd heeft, zal na zijn dood dan ook niet met God ver­enigd worden. Hen wacht geen ‘hel van eeuwig lijden’ maar gewoon ‘niet meer bestaan’, een soort ’tweede dood’ (Openba­ring, 20,6). Ook dat is een mense­lijke poging om het onvoor­stelbare voor te stellen. We moeten er maar in berusten dat onze menselijke nieuws­gierig­heid terzake nooit zal bevre­digd wor­den.

Wat onze parabel ons wel leert is dat in het hiernamaals recht zal worden gedaan. Niet dat we bang moeten zijn voor het Laatste Oordeel. Wat we van God mogen verwachten is dat Hij de lijnen die wij in ons leven hebben uitgezet, zal res­pecteren. Niets meer, maar ook niets minder. Het is tegenwoordig in om te geloven in reïncarnatie, een soort tweede kans om de steken die een mens in dit leven liet vallen, alsnog op te rapen, en wat krom is, recht te breien. Zo’n tweede zittijd is een illu­sie. Dat relati­veert de ernst van ons leven nu. Daar doet God niet aan mee. Daarvoor neemt Hij ons en onze vrijheid om zelf richting aan ons leven te geven, te serieus.

Maar… wie weet, zo denkt de rijke bij zichzelf, is er bij God – bij Abraham die in dit verhaal als Gods woordvoerder fun­geert – ­toch nog wat barmhar­tigheid los te peuteren.
Zijn verzoek om Lazarus te sturen om zijn mond te ver­frissen wordt echter afgewezen, want “de kloof die tussen ons gaapt, is on­overbrugba­ar”. De rijke beseft dat aan­dringen geen zin heeft, dat voor hem de kansen verkeken zijn. Destijds, tijdens zijn leven op aarde, was die kloof voor hem wèl over­brugbaar: hij had toen de brug kunnen en moeten slaan door Lazarus aan zijn tafel uit te nodi­gen in plaats van hem te negeren. Maar gedane zaken hebben geen keer…
Maar misschien is God alsnog te bewegen tot wat barmhartigheid voor zijn spitsbroeders. Ook zij profiteren van het leven zonder naar de armen om te zien. “Stuur Lazarus of iemand anders naar hen toe om ze te waarschuwen”, roept de rijke. Opnieuw weigert Abraham: “Je broers worden constant gewaar­schuwd; ze kennen immers de geboden en de profeten. Als ze daar niet naar willen luiste­ren, zullen ze zich ook niet laten gezeggen door iemand die uit de doden opstaat.”
Niets dus. Wie een leven lang geen boodschap had aan Gods gebod van liefde, moet ach­teraf ook niet hopen op een extra dosis barm­hartigheid. Dat zou er immers op neerko­men dat God niet alleen de keuzevrijheid van de mens niet ernstig neemt, maar ook de radi­cali­teit van zijn eigen liefdes­boodschap onder­graaft. En die incon­sequen­ties laat God zich niet in de schoenen schui­ven.

Onze parabel bekritiseert niet bezit op zich, wel de zelfgenoegzaamheid van de bezitter, het genoeg hebben aan zichzelf, het zich-met-zijn-bezit-afsluiten voor anderen. En zich daarmee ook afsluiten van wat het Koninkrijk Gods wil zijn: een gemeen­schap van mensen die, in het voetspoor van Jezus, elkaars geluk beogen en verwerkelijken.
In tegenstelling tot bezitters kunnen armen zich niet terugplooien op zichzelf omdat ze voor hun overleven van anderen afhan­kelijk zijn. Ze moeten wel bij de bezitters aan­kloppen. Voor zover een bezitter niet uit eigen beweging naar de arme toegaat, wordt hij door de arme uitgenodigd, aangemaand om uit zijn isole­ment te treden en zijn verant­woorde­lijk­heid binnen het Konink­rijk Gods op te nemen. In de arme – die in onze parabel niet toevallig ‘Lazarus’ heet, zei ik al – helpt God ons, herin­nert Hij ons eraan dat wij, ook als bezitter, beeld en gelijke­nis kunnen zijn van onze vrijgevige God.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.