26e zondag door het jaar B 2021 preek

Wie mag het woord van God verkondigen? (Mc.9,38-40 ; Num. 11,25-29)
Wat in onze eerste lezing werd verteld, speelt zich af op een ogenblik dat Mozes het niet meer ziet zitten. Tijdens de 40 jaar-lange zwerftocht door de woestijn op weg naar het Beloofde Land, gaan voor hem niet alleen de jaren wegen, ook zijn eigen volk heeft het hem meer dan lastig gemaakt. Het enthousiasme waarmee zij uit Egypte waren vertrokken, was al lang bekoeld. Steeds opnieuw moest Mozes optornen tegen moedeloosheid, geruzie, tegen gezeur en gezanik over slecht eten en tekort aan drinkwater, en vooral tegen afgodendienst – denk aan de historie met het ‘gouden kalf’. Uiteindelijk werd het hem  teveel. Na overleg met God stelde hij 70 mannen aan die het leiderschap moesten meedragen. Als aangestelde medeprofeten rustte ook op hen Gods Geest.

Maar toen gebeurde iets vreemds. Het bleek dat nog twee mannen, die geen deel uitmaakten van de groep van 70, optraden als profeet. Twee religieuze voorgangers, a.h.w. van onderuit uit het volk gegroeid, niet officieel aangesteld, maar blijkbaar wel begenadigd met het charisma van profeet-zijn.
Jozua – niet de eerste de beste, want later zou hij Mozes opvolgen – ergerde zich aan dat duo. “Mozes moet die nep-profeten de mond snoeren” vond hij, “want wie optreedt zonder officiële machtiging, ondermijnt de religieuze gezagsstructuren, tast het gezag van de aangestelde profeten aan, en uiteindelijk ook de leiderspositie van Mozes zelf…”.
Mozes volgde die redenering niet: “Waarom kom jij voor mij op, Jozua? Ik zou juist willen dat het hele volk van de Heer profeet was; dat elkeen drager en verkondiger was van de Geest Gods.”
Mozes opteert dus voor een geloofsgemeenschap die ruimte laat voor Gods initiatief vanuit de basis. Hij kiest voor een gezonde spanning tussen de officiële structuur van boven naar beneden en een profetische beweging van onderuit. Beide mogen ze er zijn, ze kunnen elkaar bevruchten en stimuleren – en zo de religieuze kwaliteit van de geloofsgemeenschap ten goede komen.

Iets gelijkaardigs hoorden we in onze evangelielezing. De apostel Johannes beklaagt zich erover dat een of andere onverlaat demonen uitdrijft in Jezus’ naam, terwijl hij zelfs geen leerling van Jezus is. Zo’n man zonder mandaat schept verwarring. Dat moet dus ophouden!
Maar net als Mozes legt Jezus dit advies naast zich neer: “Laat maar. Wie zoiets doet, en daarbij verwijst naar Mij en mijn Boodschap, die is niet tegen ons. Integendeel, die zet zich in voor het heil dat God voor mensen wil”.

Zowel Jezus als Mozes laten dus ruimte voor onofficiële verkondigers naast officieel aangestelde ambtsdragers. Leken naast priesters, om het in kerktermen van vandaag te zeggen. Gewijde voorgangers zijn de gemandateerde begeleiders van de geloofsgemeenschap. Met recht kunnen zij zich beroepen op Gods Geest die hun door de handoplegging van de opvolgers van de apostelen is doorgegeven. Maar daar volgt niet uit dat Gods Geest uitsluitend via dit hiërarchisch wijdingskanaal werkzaam is. De Geest laat zich niet door structuren aan banden leggen. Hij waait waar Hij wil. Soms kiest Hij ervoor om zijn mensbevrijdende Boodschap te verkondigen door de mond van leken.

Met die bijbelse ruimdenkendheid heeft het Romeinse kerkinstituut nooit goed raad geweten. Het opteertde eerder voor risicoloze zekerheid en duidelijkheid door wijding en leiding aan elkaar te koppelen – de lijn ‘Jozua/Johannes’ zeg maar. De meesten van ons zijn opgegroeid met het klerikale kerkbeeld waarin alle waarheid en wijsheid van boven naar beneden vloeit: paus, bisschoppen en priesters als herders van een zwijgende, volgzame geloofsgemeenschap.
Het was het Tweede Vaticaans Concilie dat het ‘priesterschap van elke gedoopte’ (Lumen Gentium, 10) herontdekte, en daarmee ook de evangelisch geïnspireerde mondigheid van het volk Gods en de eigen geloofsverantwoordelijkheid van elke gelovige. Het riep de priesterlijke hiërarchie ook op om de werkzame actie van de heilige Geest van onderuit tot zijn recht te laten komen.

Deze terug-naar-de-Bijbel-beweging heeft zich in de jaren na het concilie niet echt kunnen doorzetten. Het hiërarchisch denken bleef de boventoon voeren met gewijde ambtsdragers als eindverantwoordelijken op alle niveaus. Hier en daar, op plaatselijk niveau, werd er wel ruimte gecreëerd voor initiatieven van onderuit. In onze Witte-Kerkgemeenschap bijvoorbeeld, waar lekenverantwoordelijkheid een belangrijk aandachtspunt is, niet alleen inzake beleid, maar ook in de liturgische vieringen. Toen wij daarmee zijn gestart – zo’n 25 jaar geleden -, was dat nog vrij uitzonderlijk.

De jongste jaren is het hiërarchisch kerkmodel, vooral in Europa, zwaar in de problemen geraakt door de vergrijzing van het personeel en het groeiend tekort aan priesters. Onder druk van deze op het eerste gezicht negatieve ontwikkeling zijn onze bisschoppen zich beginnen te realiseren dat actieve inbreng van niet-gewijde gelovigen kans moet krijgen, dat er in de kerkgemeenschap ruimte moet zijn voor mannen en vrouwen die vanuit het volk opstaan om zelf verantwoordelijkheid op te nemen inzake verkondiging, in de pastoraal en in gebedsvieringen.

Op zoek naar een leefbare toekomst dient de Kerk zich steeds weer evangelisch te herbronnen, en aan die evangelische inspiratie vorm te geven, inspelend op plaatselijke mogelijkheden en behoeften. Op die manier kan Mozes’ droom beetje bij beetje werkelijkheid worden: “Ik zou juist willen dat heel het volk de Heer zou verkondigen”. Je mag de Geest Gods niet de pas afsnijden.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.